Wij vatten de interessantste boeken en wetenschappelijke artikels voor jou samen in onze rubriek Voor u gelezen. Zo krijg je vier keer per jaar een samenvatting van de laatste inzichten in de palliatieve zorgsector.
Wil je deze vierjaarlijkse nieuwsbrief ook in je mailbox ontvangen? Schrijf je nu in.
In de palliatieve zorg behandel je niet alleen lichamelijke klachten. Een levensbedreigende ziekte roept vaak existentiële vragen op: over zin en betekenis, verlies van autonomie, angst voor de toekomst of het naderende einde van het leven. Voor zorgverleners is het niet eenvoudig om met dit lijden om te gaan. In deze editie delen we onze recensies van literatuur en films over existentieel lijden in de palliatieve context.

De film Hamnet brengt een intiem en ingetogen portret van rouw binnen een gezin dat geconfronteerd wordt met het verlies van een kind. In plaats van zich te focussen op grote dramatische gebaren, toont de film hoe existentieel lijden voor elk gezinslid een andere betekenis en uitingsvorm krijgt.
Shakespeare zoekt zijn toevlucht in de kunst en verwerkt zijn verdriet door het te transformeren in een theaterstuk. Zijn vrouw Agnes daarentegen zoekt troost in een sterkere verbondenheid met de natuur en het dagelijkse leven. Haar rouw blijft lichamelijk en nabij, waardoor de emotionele en fysieke afstand die tussen haar en haar echtgenoot ontstaat des te pijnlijker aanvoelt. Ik vond het mooi om te zien hoe de film daarmee een subtiel spanningsveld bloot legt tussen privé en publiek verdriet en hoe (existentieel) lijden voor iedereen een andere invulling krijgt. Verder vond ik de muziekkeuze in de film ook erg sterk. De muziek was in staat om woorden te overstijgen en zo de emoties nog krachtiger te laten binnenkomen. Een warme aanrader dus om deze film te gaan zien.

Palliatieve zorg is holistische zorg. Zorgverleners binnen de palliatieve zorgsetting vinden het belangrijk om zowel het fysieke als het psychische, sociale en existentiële aspect mee te nemen in de begeleiding en verzorging van patiënten en naasten.
In de praktijk zien we echter vaak dat men zich het meest bezig houdt met het fysieke aspect en dat de integratie van de 4 pijlers van palliatieve zorg niet altijd even evenwichtig verloopt.
Als doorsnee zorgverlener binnen de palliatieve zorg voelen we ons vaak onvoldoende opgeleid en onvoldoende zeker om ons expliciet te begeven op het terrein van existentiële vragen en existentieel lijden. Pastorale medewerkers, o.a. in ziekenhuizen, zijn hier wel mee vertrouwd en kunnen een belangrijke rol spelen.
Ik ben er wel van overtuigd dat de meeste zorgverleners in palliatieve zorg al heel vaak authentiek aanwezig zijn, contact en verbinding maken met patiënt en naasten…. en intuïtief de existentiële laag bereiken. Dit gebeurt dan zonder een duidelijk kader en handvaten met als risico zelf niet overeind te blijven bij de vaak overweldigende emoties die deze nabijheid met zich meebrengt.
In het kader van deze ‘Voor u gelezen’ en vanuit de interesse om me ook meer te verdiepen in de vierde pijler van palliatieve zorg kreeg ik de tip van een pastor om het boek ‘Op de bodem’ te lezen van Siebrecht Vanhooren, professor klinische psychologie en cliëntgerichte en existentiële psychotherapie aan de KU Leuven.
In het boek laat Siebrecht Vanhooren ons kennismaken met de existentiële laag of bodem van ieder mens. Hij geeft taal, een kader en handvaten om met essentiële levensvragen om te gaan in ons contact met patiënten en naasten.
De experiëntieel-existentiële benadering is ontstaan uit de zoektocht hoe de existentiële laag van ons mens-zijn concreet in begeleidingen kan betrokken worden.
In dit hoofdstuk worden een aantal concepten en begrippen uitgelegd die handvaten geven om de existentiële laag in de gesprekken met zorgvragers en naasten beter op te merken en te begrijpen.
De existentiële laag maakt constant deel uit van ons leven.
In onze levensloop zijn er voorspelbare momenten dat we ons vaker bewust zijn van onze existentiële laag (vaak zijn dit de geritualiseerde momenten zoals geboorte, huwelijk, ziekte, dood…). Daarnaast zien we in de ontwikkelingspsychologie ook een aantal sensitieve periodes waarin we meer expliciet openstaan voor verandering en waar we vatbaarder zijn om ons van de existentiële laag meer bewust te worden (vb. adolescentie, pensioen…). Daarnaast kunnen onverwachte gebeurtenissen zoals verlieservaringen, ziekte, traumatische ervaringen…. aanleiding geven tot existentiële angst, wanhoop en existentiële crisis.
Siebrecht Vanhooren legt het verschil uit tussen de ontische en de ontologische laag.
De ontische laag of het ontische zijn slaat op de concrete situationele ervaring, die wel de existentiële laag in zich draagt, maar die is niet altijd expliciet aanwezig.
De ontologische laag verwijst naar de existentiële bedding en beleving.
Deze twee lagen worden verder opgesplitst in een micro-, meso- en macro-dimensie van de beleving. Het is in gesprekken of een begeleiding verhelderend om te weten waar we juist mee bezig zijn en in welke dimensie het gesprek zich situeert.
De micro-dimensie is de meest concrete ervaring, namelijk de zelfbeleving of hoe we ons leven op dit letterlijke moment in het hier-en-nu beleven. Deze ervaring geeft al een idee over waar het werkelijk om te doen is, los van cognitieve processen.
De meso-dimensie is de dimensie van hoe wij onszelf, de situatie, de ander en de wereld beleven en beschrijven op basis van onze cognitief-affectieve structuren en de mentale en interpersoonlijke structuren die buiten ons liggen (cultuurgebonden waarden en normen, religie, ideologieën…). Het gaat dus over ons zelfbeeld, onze identiteit, ons levensverhaal en ons familieverhaal, ons wereldbeeld, onze ideologie, onze waarden en normen.
De micro- en de mesodimensie behoren tot de ontische laag van de beleving.
De macrodimensie van onze beleving is de ontologische laag die ons als individu overstijgt en waar we in aanraking komen met de grote existentiële thema’s. Het is hier dat we botsen op onze gedeelde menselijke conditie en het besef dat we slechts een klein deeltje zijn van een groter geheel.
Als zorgverlener wil je de zorgvrager nabij zijn in zijn volledige zijn. Dit betekent dat je existentiële empathie moet opbrengen of je inleven in de existentiële laag van de zorgvrager. Dit raakt echter niet alleen aan de existentiële laag van de zorgvrager, maar ook van de zorgverlener.
Een valkuil is dat we als zorgverleners meestal erg oplossingsgericht werken ten koste van het gewoon ten volle aanwezig zijn bij de lijdende persoon. Existentiële thema’s laten zich echter niet oplossen en dat leidt tot machteloosheid bij de zorgverlener. Het niet-weten aanvaarden en enkel authentiek aanwezig te zijn is een moeilijke opgave voor de meeste zorgverleners.
Als zorgverleners uit machteloosheid de existentiële laag gaan negeren of blijven oplossingen aanreiken (die er niet zijn) heeft dit als gevolg dat de hulpvrager verder weg zakt in existentiële eenzaamheid en wanhoop.
Door wel samen met de zorgvrager aanwezig te zijn op de existentiële laag krijgt de zorgvrager de kans om zelf verbindingen te creëren met de existentiële laag, waardoor de problemen en het lijden kunnen afnemen. Om aanwezig te kunnen zijn op deze ontologische laag moet de zorgverlener bereid zijn de existentiële thema’s in zijn of haar eigen leven zelf te omarmen, dit om te vermijden zelf opgezogen te worden in de beleving van de zorgvrager, zonder daar mee richting aan te kunnen geven. Dit vergt moed en durf.
In relatie met de zorgvrager moeten de zorgverlener bij de eigen existentiële laag kunnen blijven, er woorden voor hebben en existentiële basisveiligheid kunnen ervaren om de eigenheid van de existentiële laag van de zorgvrager te blijven zien.
In dit hoofdstuk wordt taal aangereikt om de existentiële ruimte binnen te treden en om de eigen existentiële laag te leren herkennen.
Als de zorgverlener de existentiële ruimte betreedt samen met de zorgvrager is een juiste afstand nodig: een relatie tot, niet een samenvallen met noch een afgesneden zijn van. Hier komt het dialogische denken van Buber naar voor, waarbij hij de ik-het relatie (onpersoonlijke afstand, objectiveren van de ander…), de gebruikelijke Westerse manier van benaderen, tegenover de ik-jij relatie stelt (de ander is dan medemens die we ontmoeten, begrijpen vanuit empathie en die onszelf ook verandert).
In de existentiële ruimte vragen vier grote existentiële thema’s om aandacht.
Deze thema’s zijn niet oplosbaar, ze behoren tot het menselijke bestaan. Wel zijn er verschillen in hoeverre we vastlopen in de verhouding tot deze thema’s. Indien men als mens vastloopt spelen deze thema’s een bijzondere rol, maar ook op de hoogtepunten van het leven wordt men door deze thema’s vaak geraakt.
Het herkennen en kunnen benoemen van de 4 grote existentiële thema’s is een opstap om te komen tot een beter begrijpen en een dieper ontmoeten van de ander. Dit kan helpen om als zorgverlener zoekende en lijdende mensen te ondersteunen in het nadenken over deze thema’s om zo hun leven bewuster en anders te kunnen beleven.
Dit hoofdstuk gaat over wat existentieel lijden en groeien kan betekenen, waarbij ze beide deel uitmaken van hetzelfde therapeutische proces.
Lijden is inherent aan ons bestaan. Het leven vraagt voortdurend verandering en aanpassing. Een gebroken of gevonden vriendschap, een huwelijk, ziekte die ons of onze dierbaren overkomt, een nieuwe geboorte, het sterven van naasten en uiteindelijk ons eigen levenseinde zijn allemaal deel van ons bestaan. Ook potentieel traumatiserende ervaringen ten gevolge van natuur- of intermenselijk geweld kunnen ons treffen.
Het diepste existentiële lijden komt echter voort uit het ontbreken van de meest basale voorwaarden voor ons menselijke bestaan. Naast de 4 grote thema’s die als ‘givens’ omschreven worden (hoofdstuk 2) zijn er ook nog de volgende ontologische thema’s die aanwezig kunnen zijn in de existentiële ruimte.
Deze thema’s gaan over het ontbreken van verbindingen met je zelf, met je identiteit. Over niet mógen bestaan en/of het leven en ieder ander slechts met wantrouwen tegemoet kunnen treden.
Op de bodem van ons bestaan kunnen we meestal niet meer om de existentiële vragen heen. Vanaf de bodem is groei mogelijk in verschillende richtingen: gezonder emotioneel beleven, de appreciatie van kwetsbaarheid, meer zelfcompassie, veerkracht, autonomie, minder lijden, symptoomreductie, appreciatie van veranderde levensomstandigheden, een groter inzicht en zelfbesef, gewijzigde ervaring van de ander, ontzag en verwondering en tenslotte groei in wijsheid (dieper zelfinzicht, meer empathie voor anderen, kunnen omgaan met de ambivalentie van het leven, met een genuanceerde blik toch een richting kunnen kiezen).
Binnen de palliatieve zorg is er over het algemeen meer oog en ruimte voor wat mensen op existentieel en spiritueel vlak nodig hebben (p 108). Verschillende interventies die inzetten op het doorwerken van existentiële thema’s en het ervaren van nieuwe zingeving en betekenis tonen hoe groei tot het allerlaatste moment mogelijk blijft.
In dit hoofdstuk wordt dieper ingegaan op hoe existentiële thema’s zich tijdens een therapeutisch proces kunnen ontvouwen, zowel in de thema’s maar ook in de dynamiek van de therapie zelf.
Existentiële therapie biedt een kader om de grondlaag van wie we zijn te verkennen. Door diepgaand te beleven waar het om draait, komt er ruimte vrij voor groei en nieuwe wegen.
De therapeut zit in een voortdurende authentieke, aanvaardende en empathische afstemming met de zorgvrager. Het is een kwalitatieve aanwezigheid, waarbij de therapeut in voeling staat met de verschillende lagen (ontisch én ontologisch) en dimensies (micro, meso en macro) van de ontmoeting. Ondanks de grote mate van nabijheid dient de leidende rol van de therapeut intact te blijven en blijft tegelijkertijd een veilige afstand nodig.
Het boek ‘Op de bodem’ van Siebrecht Vanhooren had ik 30 jaar geleden willen lezen.
Het is een helder en diepgaand boek dat existentiële thema’s op een toegankelijke manier belicht door het gebruik van vele concrete praktijkvoorbeelden, duidelijke uitleg van existentiële concepten, focus op ervaringsgerichte benaderingen en hier en daar het gebruik van verhelderende metaforen.
Siebrecht Vanhooren toont hoe fundamentele vragen over zin, eenzaamheid, vrijheid, verantwoordelijkheid en verbondenheid voortdurend meespelen in menselijke ervaringen, zowel wanneer mensen vastlopen als op betekenisvolle momenten in hun leven.
Het boek geeft de nodige taal en handvaten, niet alleen voor psychotherapeuten, maar voor iedereen die in een zorgrelatie met patiënten en naasten meer zelfzekerheid wil krijgen in het durven raken aan de existentiële laag bij patiënten, naasten en bij zichzelf als zorgverlener. Een betere kennis van de taal van existentiële therapie en begeleiding kan de communicatie met het team ook faciliteren, hetgeen belangrijk is in kader van zorgcontinuïteit.
Op de bodem” is een inspirerende en praktische gids voor iedereen die betekenisvolle, menselijke zorg wil bieden in de laatste levensfase (maar ook daarbuiten in de ganse levensloop van zichzelf en anderen).
Een weliswaar oudere tekst van Ds. P.B. Suurmond, maar waar ik onmiddellijk weer terug aan dacht na het lezen van het boek ‘Op de bodem’ van Siebrecht Vanhooren.
In deze ‘Voor u gelezen’ wil ik deze tekst over het belang van nabijheid en authentieke ontmoeting toch nog eens meegeven. Mij heeft deze tekst alleszins vaak een duwtje in de rug gegeven om die ene ‘moeilijke’ kamer niet voorbij te lopen.
Misschien is dat wel het allermoeilijkste voor mensen in ontmoetingen met mensen die lijden: erbij blijven.
Niet weglopen, maar blijven! Machteloos wellicht, maar blijven. Hoogstens kunnen luisteren, soms zonder een touw te kunnen vastknopen aan wat je hoort omdat de ander in verwarring is, maar blijven.
Soms niets horen dan een schreeuw, misschien vloeken, en dan geen aandrang hebben tot vermaan, maar blijven en luisteren.
Soms luisteren naar alleen maar wanhopige stilte, terwijl je als moderne mens dààr het meeste bang voor bent, voor stilte, en toch blijven,
Niets, helemaal niets meer kunnen dan blijven, zelfs als je weggejaagd wordt, op bereikbare afstand beschikbaar blijven. Zodat wie lijdt nooit helemaal alleen is…
(Ds. P.B. Suurmond)

Refractair lijden bij het levenseinde kan zich naast het fysieke en psychosociale niveau ook situeren vanuit de existentiële noden van de patiënt. Dit artikel wil de evidentie voor gebruik van palliatieve sedatie als behandeling van existentieel lijden bij ernstig zieke patiënten onderzoeken. Existentieel lijden is een van de meest complexe aspecten van symptoomcontrole in palliatieve zorg. Ernstig zieke patiënten hebben uitgesproken existentiële noden, die nog worden geïntensifieerd door gevoelens van machteloosheid, eenzaamheid en doelloosheid.
In de literatuur bestaat er geen consensus over een definitie en criteria voor refractair en/of existentieel lijden. Richtlijnen rond dit thema variëren erg en deze onduidelijkheid zorgt er voor dat ethische overwegingen protocollen voor palliatieve sedatie bij existentieel lijden doen stranden.
De auteurs besluiten dat de terughoudendheid van zorgverleners om palliatieve sedatie bij existentieel lijden toe te passen gelegitimeerd is door dit gebrek aan robuuste evidentie en de grens tussen sedatie en actieve levensbeëindiging in vaak dubieus ethisch vaarwater terecht komt.
Zij pleiten voor ontwikkeling van duidelijke richtlijnen en bijkomend onderzoek dat existentieel lijden moet definiëren. Zorgverleners moeten dan training krijgen om refractair existentieel lijden te identificeren en te behandelen, al dan niet met palliatieve sedatie of euthanasie.
Deze review biedt geen oplossing voor de aanpak van refractair existentieel lijden bij het levenseinde maar verduidelijkt de problematiek rond dit thema. Het geheel geeft stof tot nadenken aan zorgverleners om zich verder te verdiepen en te bekwamen in inschatting en aanpak van refractair existentieel lijden, eerder dan zich te verschuilen onder de paraplu van polypathologie bij handelen rond het levenseinde.

De WHO beschouwt de spirituele dimensie als integraal onderdeel van palliatieve zorgen. De Nederlandse richtlijn “zingeving en spiritualiteit in de palliatieve fase” is bedoeld voor iedere zorgmedewerker in palliatieve zorgen en reikt basisinzichten en aanbevelingen aan die de integratie van spirituele zorg kunnen bevorderen. Deze basisinzichten en aanbevelingen zijn opgesteld door een richtlijnwerkgroep waarin zowel zorgverleners van verschillende disciplines als patiëntvertegenwoordigers zetelden.
De richtlijn geeft aan dat spirituele noden vaak onbewust of onzichtbaar aanwezig zijn en mensen vaak niet weten dat ze daar met een zorgverlener over kunnen uitwisselen. Daarnaast ervaren mensen het onderwerp als intiem en kwetsbaar. Dat maakt dat het als zorgverlener uitdagend is om spirituele noden op het spoor te komen. Zeker omdat ze vaak ingebed zijn in de lichamelijke, psychische en sociale dimensie van mensen. De volgende aanbevelingen worden gegeven om aandacht te hebben voor spirituele noden:
In de richtlijn gaat men ervan uit dat spirituele noden resulteren in een spirituele crisis wanneer het bestaande zingevingskader wordt uitgedaagd, door bijvoorbeeld het ervaren van eindigheid van het leven. Een spirituele crisis wordt beschreven als “een acute verstoring in het verstaan van het zelf, de wereld en/of het transcendente, door externe stressoren, waarin het individu een keerpunt of splitsing bereikt, die leidt tot een significante verandering van de wijze waarop men zichzelf en de wereld verstaat”.
Volgende signalen kunnen duiden op een spirituele crisis:
Volgende thema’s kunnen onder druk komen te staan bij een spirituele crisis:
De richtlijn geeft volgende aanbevelingen mee aan zorgverleners om spirituele zorg te verlenen. Deze aanbevelingen zijn een eerste stap om spirituele zorg als zorgverlener te integreren.
In Vlaanderen is er nog geen richtlijn Spirituele zorg. Maar in de werkgroep Spirituele Zorg (binnen Palliatieve Zorg Vlaanderen) die in voorjaar 2025 werd opgericht, wensen we hier (onder meer) werk van te maken.
In de werkgroep spirituele zorg zijn we als eerste stap aan de slag gegaan met het diamantmodel van Carlo Leget door deze te toetsen aan de praktijk van enkele palliatief zorgverleners in Vlaanderen Volgende vragen kunnen zorgverleners ondersteunen om met spirituele noden aan de slag te gaan. De vragen zijn bedoeld om als zorgverlener in het achterhoofd te houden en, aangepast aan de situatie, aan te halen:
Vijf vragen opgesteld door Kristien Hendrickx, zorgpastor in de ouderenzorg:
Vragen die gebruikt worden door Bart Stippelmans, palliatief deskundige:
In gesprek gaan over levensvragen is niet altijd eenvoudig. Voel je hierin zeker niet alleen. Een gesprek over dit thema vraagt immers tijd, geduld en ruimte van de zorgverlener én het vraagt om moed van de zorgvrager. Want, zo stelt Martijn Steegen (pastor/spiritueel zorgverlener in UZ Leuven) in zijn blog “Om te kunnen spreken over wat je diep vanbinnen voelt, moet je durven afdalen in je eigen ziel of binnenste.”
Wie met spirituele vragen of lijden verder aan de slag wil gaan, kan hiervoor beroep doen op tools zoals het diamantmodel of de spiritwijzer. Of je kan vorming volgen, bijvoorbeeld bij één van de netwerken Palliatieve Zorg.
Bots je op grenzen op het gebied van tijd, ruimte, expertise… om in de diepte te kunnen ingaan op de levensvragen van je patiënt en om deze persoon hierin te kunnen ondersteunen? Dan kan je doorverwijzen naar een spiritueel zorgverlener die hierin opgeleid is. Zeker bij een spirituele crisis is doorverwijzing aangewezen (zie: richtlijn in hoofdstuk 3.5). [In dit hoofdstuk – en de volledige richtlijn – wordt verwezen naar een geestelijk verzorger. In Vlaanderen hanteren we hiervoor de term ‘spiritueel zorgverlener’ (bv. pastor)].

Via de EAPC blog kwam ik de kwalitatieve studie ‘Thank you for loving me’ tegen, over dankbaarheid in palliatieve trajecten en de effecten hiervan op patiënten en naasten.
Tussen de vele artikels trok deze titel mijn aandacht. In mijn klinisch werk als arts op een palliatieve eenheid heb ik veel dankbaarheid gezien tussen patiënten, naasten en zorgverleners, warme momenten die bijblijven. Bij het woord dankbaarheid kwamen bij mij onmiddellijk positieve zaken naar boven en ik was dan ook nieuwsgierig naar de verschillende effecten die in de studie gevonden werden en wat de resultaten van deze studie dan kunnen betekenen voor de zorgverleners rond de patiënt en de naasten.
De studie werd uitgevoerd in 3 palliatieve zorgdiensten in Franstalig Zwitserland en bestond uit een analyse van 33 dankbaarheidsbrieven geschreven door patiënten en familieleden en 25 diepte-interviews met dezelfde mensen.
Een eerste stap in het onderzoek was nagaan hoe de deelnemers dankbaarheid begrijpen en verwoorden. Vervolgens werd bekeken hoe deze verschillende vormen van dankbaarheid het zelfbeeld, de emoties, de ervaringen en de onderlinge relaties beïnvloeden. Tenslotte werd op basis van deze bevindingen bepaald hoe het concept ‘dankbaarheid’ het best kan worden omschreven in een palliatieve context.
De onderzoekers konden de volgende vijf vormen van dankbaarheid bij de deelnemers onderscheiden.

De studie keek niet enkel naar wat mensen juist zeggen, maar ook naar wat hun woorden doen, met andere woorden naar het effect dat dankbaarheid heeft op emoties, relaties en het zelfbeeld.
De vijf beschreven vormen van dankbaarheid kunnen emoties, relaties en het zelfbeeld zowel op een positieve als op een negatieve manier beïnvloeden.
De onderzoekers stellen dat dankbaarheid in de palliatieve zorg uit drie dimensies bestaat:
Deze inzichten kunnen zorgverleners helpen om beter te begrijpen wat dankbaarheid allemaal kan betekenen voor patiënten en hun naasten in een palliatief zorgtraject. Daarnaast zorgt dit ervoor dat dankbaarheid in al zijn vormen sneller herkend kan worden door zorgverleners waardoor zij patiënten en families beter kunnen ondersteunen, zowel in de situaties waar het uiten van dankbaarheid een positief effect creëert, als in de situaties waar dankbaarheid juist pijnlijke gevoelens kan versterken wanneer iemand zich afhankelijk of tot last voelt.
Zorgverleners kunnen dankbaarheid dus meer bewust gaan integreren in psychosociale interventies.
Deze kleine studie is de moeite om te lezen. Alleszins gaf het lezen mij een bredere kijk op dankbaarheid en toch ook handvaten om hier concreet mee aan de slag te gaan (ook buiten een palliatieve zorgsetting).

In Nick Cave’s Veiled World wordt via gesprekken met muzikanten, kunstenaars, schrijvers en denkers een gelaagd portret geschetst van Nick Cave en de spirituele wereld die zijn werk doordrenkt. De documentaire verkent hoe thema’s als geloof, twijfel, liefde, verlies en hoop doorheen zijn muziek en teksten lopen. Door fragmenten uit zijn oeuvre en reflecties van anderen ontstaat een beeld van Cave als kunstenaar die existentiële vragen niet uit de weg gaat en die via kunst zoekt naar betekenis en verbinding.
Die zoektocht raakt aan een belangrijke pijler van palliatieve zorg: de spirituele en existentiële dimensie. Net zoals in palliatieve zorg gaat het niet om pasklare antwoorden, maar om ruimte te maken voor wat mensen bezighoudt wanneer het leven kwetsbaar wordt, een taal te helpen zoeken wanneer woorden soms ontbreken.
Tijdens de Dag van de Palliatieve Zorg vestigen we elk jaar de aandacht op het belang van kwaliteitsvolle palliatieve zorg. In 2025 lag de focus op verbinding, connectie en het delen van kwetsbaarheid. Want wij geloven dat je samen verder komt. Hieronder vind je acht reviews van publicaties die mooi aansluiten bij het thema Samen zorgen, samen dragen.

“Sterker in Dementiezorg” is een boek gevolgd uit de opleiding voor Dementie ReferentieArtsen (DRA). Dit is een functie die in 2024 door de Vlaamse overheid werd uitgerold, waarbij een aantal geriaters/huisartsen/neurologen/ouderenpsychiaters bijkomende expertise aanbieden rond de zorg voor mensen met dementie en zo andere artsen en zorgverleners ondersteunen.
Elke patiënt met dementie zou men met een palliatieve blik moeten bekijken en de zorgdoelen in die richting bijsturen. Bovendien zal de prevalentie van de huidige 136 254 personen met dementie in het Vlaams Gewest verdubbelen tegen 2070 en dus staat zowel het zorglandschap als onze maatschappij voor een stevige uitdaging. In de zorg voor ouderen botsen we op veel raakvlakken tussen dementiezorg en palliatieve zorg: beide zijn een continuüm in de tijd en interdisciplinaire samenwerking is essentieel. Een boek over dementiezorg is dus zeer relevant voor artsen met bijzondere interesse in palliatieve zorg.
Het boek is rijkelijk geïllustreerd met voorbeelden en QR-codes die je leiden naar interessante websites en video’s online.
Een systematisch overzicht in de pathologie van dementie, detectie en diagnose wordt overzichtelijk en op een visueel aantrekkelijke manier gebracht. Ook het belang voor de patiënt en de mantelzorger om (vroeg)tijdig een heldere diagnose te krijgen wordt sterk benadrukt.
Het boek maakt heel mooi het onderscheid tussen ziektediagnose en zorgdiagnose en onderstreept zo dat de diagnose ook slechts het begin van een langdurig behandel- en vooral begeleidingstraject inhoudt.
Onbegrepen gedrag wordt met casussen geïllustreerd en de lijdensdruk die dit teweeg brengt bij het zorgteam en de naasten wordt ook onderkend.
Er zijn ook ethische reflecties: “Familieleden blijven soms hardnekkig eten en drinken aanbieden. Ze voelen zich machteloos bij het verlies van het laatste beetje zorgzaamheid dat ze kunnen bieden. Het tijdig bespreken van deze problematiek kan helpen om de ethische dilemma’s voor de familieleden te verlichten”.
Over palliatieve zorg wordt geschreven “de symptoomlast in de laatste 6 levensmaanden wordt als minstens even groot beschouwd als bij patiënten met kanker. Toch is de aanpak van pijn, pneumonie en koorts, de kijk op vocht en voeding in de eindfase vaak inadequaat; met soms onnodige en voor de patiënt erg belastende hospitalisatie tot gevolg.”
Wie met dit boek een extensief verslag zoekt over de nieuwste ziektemodulerende therapieën, blijft misschien op zijn honger zitten. Maar niettemin is dit boek een warme aanrader voor elke arts die frequent met patiënten met dementie in contact komt.
Nog een laatste teaser: “Velen uiten de euthanasiewens al vanaf het begin van de ziekte maar blijven de beslissing uitstellen omdat hun toestand op dat moment nog als draaglijk wordt ervaren. Tussen de periode van wilsbekwaamheid en de latere periode van onbekwaamheid is er een dunne zone van overlapping: een kleine window of opportunity. Als uiteindelijk wilsonbekwaamheid is ingetreden, kan volgens de huidige wetgeving enkel nog beroep gedaan worden op een negatieve wilsverklaring, waarmee uitvoering van euthanasie echter niet mogelijk is; dit stuit dikwijls op onbegrip en teleurstelling bij de naaste.”
Euthanasie kennen we in ons land door het wettelijke kader dat er rond gebouwd is. Maar ‘dysthanasie’, daar hebben we nog niet over gehoord. Dat lijkt nieuw. Deze review behandelt een situatie die iedere clinicus al heeft meegemaakt: overbehandeling van ouderen wanneer het einde op zeer korte termijn wordt verwacht. Men kan ook denken aan therapeutische hardnekkigheid of futiele zorg.
Deze studie zocht naar definities van overbehandeling en vooral naar de bevorderende of hinderende elementen die, aan het einde van het leven, daarbij een rol spelen. De auteurs gebruiken daarvoor de term ‘dysthanasia’, voor het eerste gehanteerd door Menezes in 2009 (de Menezes, Selli, & de Souza Alves, 2009). Hij definieerde het als een trage en pijnlijke dood zonder kwaliteit van leven.
Het resultaat toont een pleiade aan elementen die in dit proces een rol spelen en die zeer overzichtelijk worden samengevat in het schema.
Ze worden in een kwadrant onderverdeeld in 4 groepen: elementen die zich situeren t.h.v. het gezondheidszorgsysteem, de patiënt, de clinicus en de familie/mantelzorger.
Opvallend daarbij is dat ‘shared decisions and shared policy’ samen met ‘no advance care planning’ elementen zijn die op meerdere plaatsen terugkeren.
De elementen vervat in dit schema zijn op drie niveau’s nuttig.
Deze publicatie verdient naar mijn oordeel de nodige aandacht en kan op die manier een boost geven aan kwaliteitsvolle levenseindezorg.

De meerderheid van de patiënten wenst thuis verzorgd te worden en te sterven. Dit is echter enkel mogelijk indien voldoende mantelzorg aanwezig is.
Gediagnosticeerd worden met kanker in een gevorderd en ongeneeslijk stadium kan beschouwd worden als een potentieel traumatisch event (PTE) zowel voor de patiënt als voor de naasten. Bijgevolg lopen zowel de patiënt als de naasten een verhoogd risico op het ontwikkelen van een depressie, angststoornis, of post-traumatische stressstoornis (PTSD). Niettegenstaande hebben studies reeds meermaals aangetoond dat mensen door veerkracht (resilience) kunnen beschermd worden tegen de gevolgen van mentale stress.
Mantelzorgers van patiënten met kanker hebben vaak de neiging om in de schaduw van de patiënt te gaan staan, waardoor ze niet altijd de aandacht krijgen van professionele zorgverleners die ze nodig hebben. Dit verhoogt niet enkel het risico op mentaal lijden voor de partner, maar kan eveneens de kwaliteitsvolle palliatieve zorg voor de patiënt in het gedrang brengen. Dit gebrek aan aandacht vloeit vaak voort uit het feit dat de mantelzorgers hun eigen klachten en noden ondergeschikt achten aan het lijden van de patiënt en bijgevolg geen begeleiding of ondersteuning van professionele zorgverleners vragen voor zichzelf.
Aandacht hebben voor de noden van mantelzorgers maakt integraal deel uit van de palliatieve zorg en is essentieel om de patiënt de kans te kunnen geven om thuis verzorgd te worden en te overlijden. Bijgevolg is inzicht in het concept ‘veerkracht’, in de ondersteunende bronnen van veerkracht, en in de manier waarop veerkracht zich ontwikkelt en manifesteert in deze doelgroep noodzakelijk om de kwaliteit van zorg voor de mantelzorger van de patiënt met gevorderde kanker verder uit te bouwen en te optimaliseren.
In mijn doctoraatsthesis heb ik eerst duidelijkheid gebracht in wat veerkracht kan betekenen voor mantelzorgers en op welke manier een veerkrachtig traject tot stand kan komen. Vervolgens heb ik het ondersteunend netwerk van de mantelzorger bestudeerd als een complex adaptief systeem: een groep van mensen die zich samen inzet om een gemeenschappelijk doel (hier het mentaal welzijn van de mantelzorger) te bereiken. Tot slot heb ik verschillende mogelijke trajecten van veerkracht in kaart gebracht.
Doorheen mijn doctoraatsthesis heb ik mij gebaseerd op de definitie van veerkracht van de American Psychological Association (APA). De APA definieert veerkracht als het proces van zich aanpassen aan de omstandigheden wanneer men geconfronteerd wordt men tegenslag, trauma, bedreiging, of significante vormen van stress. Om veerkracht bij partners van patiënten met gevorderde kanker verder te kunnen onderzoeken, heb ik mij verder gebaseerd op het theoretische kader van Bonanno et al. Hierbij wordt gesteld dat een veerkrachtig proces start bij een potentieel traumatische gebeurtenis, zoals vb. de diagnose van een gevorderde kanker bij een naaste. Vervolgens kan een veerkrachtsproces ontstaan door een dynamisch samenspel van veerkrachtsbevorderende bronnen waaronder de beschikbaarheid van een ondersteunend netwerk en karakteristieken van de partners zelf zoals flexibel zijn, positief ingesteld zijn, een innerlijke kracht ervaren, de informatieverwerker zijn (wat inhoudt dat men in staat is om de inkomende en uitgaande informatie over de kanker onder controle te houden), en het, op een aangepaste manier, afhankelijk zijn (wat betekent dat men hulp durft te vragen en die ook kan aanvaarden).
Het ondersteunende netwerk van familie, vrienden, en zorgprofessionals blijkt zelf een veerkrachtig systeem te zijn dat zich voortdurend aanpast aan de veranderende omstandigheden, dat interageert met zijn context, een gedrag stelt dat voortvloeit uit geïnternaliseerde basisregels en de voorgeschiedenis van het systeem, en dat wordt aangedreven door attractoren. Het gedrag is echter niet lineair, grotendeels onvoorspelbaar, en soms zelfs paradoxaal. De veerkrachtsbevorderende bronnen versterken elkaar vanuit hun interactie en leiden tot coping-strategieën. Deze kunnen zijn: dagelijkse routines en gewoontes handhaven, verantwoordelijkheid opnemen (zowel voor de patiënt, de familie, als voor het eigen welzijn), de situatie sturen (door te proberen de kanker onder controle te krijgen) en de situatie beheersen (een meer aanvaardende houding aannemen waarbij het leven aangepast wordt aan de kanker).
Wanneer het mentale welbevinden van de partner echter werd bedreigd door een tweede PTE (in dit geval de COVID-19 pandemie), bleken de veerkrachtsbevorderende bronnen de meest kwetsbare elementen in het proces. De coping-strategieën hielden stand en getuigden vaak van een grote creativiteit en inventiviteit.
Er konden drie prototypische trajecten van veerkracht worden onderscheiden, namelijk: een zich snel, geleidelijk, of langzaam aanpassend traject. Deze trajecten worden allemaal gekenmerkt door een persoonlijk groeiproces, volharding, en een gezond mentaal functioneren. Daarnaast werden drie andere prototypische trajecten beschreven die wijzen op een minder optimale aanpassing.
Inzicht in de veerkrachtsprocessen die zich kunnen ontwikkelen bij mantelzorgers nadat een familielid of naaste werd gediagnosticeerd met gevorderde kanker, kan professionele zorgverleners helpen om tijdig een veerkrachtsproces, veerkrachtsondersteunende bronnen en aangepaste coping-strategieën te herkennen. Op die manier kunnen partners die baat zouden hebben bij extra ondersteuning, worden onderscheiden van diegenen die meer waarschijnlijk naar een veerkrachtige uitkomst zullen evolueren.
Om het proces dat zich ontwikkelt na de diagnose en de veerkrachtsondersteunende bronnen te kunnen beoordelen, is het raadzaam om proactief tewerk te gaan en zelf de partners uit te nodigen op een consultatie voor zichzelf. Hierbij besteedt de professionele zorgverlener bij voorkeur zowel aandacht aan de kwetsbaarheden als aan de veerkrachtsbevorderende elementen. Daarnaast is het aangewezen om de partner te bevragen omtrent het al dan niet aanwezig zijn van een ondersteunend netwerk, het gedrag van dit netwerk, en ieders rol hierin.
Doctoraatsthesis van Dr. Sophie Opsomer, onder supervisie van Prof. Jan De Lepeleire, Prof. Peter Pype, Prof. Patrick Luyten, Prof. Emelien Lauwerier – verdedigd aan KU Leuven en UGent op 27 maart 2024.

Onderzoekers van de onderzoeksgroep Zorg rond het Levenseinde, waaronder Prof. Lieve Van den Block en Dr. Rose Miranda, schreven – samen met internationale collega’s – deze White Paper namens de European Association for Palliative Care (EAPC) – Reference Group on Aging and Palliative Care. De White Paper, gepubliceerd in het toonaangevende tijdschrift The Lancet eClinialMedicine, formuleert voor het eerst een internationaal gedragen kader voor optimale zorg en ondersteuning van oudere mensen die leven met frailty en hun mantelzorgers. Het werk vertrok vanuit een behoefte binnen de palliatieve zorg om een aanpak voor ouderen uit te werken, maar groeide uit tot een breed interdisciplinair pleidooi, dat internationaal de nodige weerklank krijgt.
Het document is gebaseerd op literatuur en een brede consensus van 82 experten uit 28 landen, waaronder clinici, onderzoekers, beleidsmakers én vertegenwoordigers van ouderen zelf. De White Paper weerspiegelt zo de substantiële inspanningen van de onderzoekswereld om te komen tot een gedeeld begrip van wat optimale zorg en ondersteuning voor deze doelgroep betekent.
De Engelse term ‘frailty’ wordt in het Nederlands meestal vertaald als (geriatrische) kwetsbaarheid, ook al dekt dat woord niet volledig de lading. In de klinische literatuur zijn de meeste voorkomende definities van ‘frailty’ het “Phenotypic model” (Fried et al) en het “Deficit Accumulation Model” (Rockwood et al). Het Fried model omschrijft frailty als klinisch syndroom dat ontstaat door verminderde fysiologische reserves en weerstand tegen stressoren, als gevolg van cumulatieve achteruitgang in meerdere systemen (vast te stellen a.d.h.v. criteria zoals gewichtsverlies, spierkracht, en loopsnelheid). Het Rockwood model ziet frailty als een toestand van verhoogde kwetsbaarheid die ontstaat door de opeenstapeling van gezondheidsdeficieten (zoals symptomen, klinische tekenen, ziekten en beperkingen). Hoe meer deficieten iemand heeft, hoe groter de mate van frailty. Dit model benadrukt frailty meer als multidimensioneel construct, met fysieke, cognitieve, en psychosociale dimensies. Een belangrijke nuance is echter dat mensen die klinisch als ‘frail’ worden bestempeld, zichzelf niet altijd als ‘frail’ of kwetsbaar ervaren..
Het Decade of Healthy Aging-rapport (2021) van de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) benadrukte de waardevolle maatschappelijke bijdragen van oudere mensen. Tegelijkertijd brengt het groeiende aandeel ouderen grote uitdagingen met zich mee voor zorgsystemen wereldwijd. De snelle toename van het aantal oudere mensen leidt tot een stijgend aantal personen dat leeft met frailty en vaak complexe, langdurige zorg- en ondersteuningsbehoeften ervaart – soms tot aan het levenseinde.
Hoewel frailty de voorbije decennia een belangrijk thema werd binnen ouderenzorg en onderzoek, ontbrak tot nu toe een internationaal gedragen kader dat samenvat hoe men optimaal kan inspelen op de noden én de mogelijkheden van ouderen en hun mantelzorgers. De White Paper vult die leemte en biedt een richtinggevend referentiekader voor zowel beleid, onderzoek, als praktijk.
Voor de ontwikkeling van deze White Paper voerden de internationale en multidisciplinaire kernleden van de EAPC Reference Group zeven discussierondes en drie literatuuronderzoeken uit. Op basis daarvan werden elf kerndomeinen en 34 aanbevelingen geformuleerd, die samen een integratieve palliatieve, geriatrische en revaliderende benadering van zorg en ondersteuning beschrijven.
Deze aanbevelingen werden vervolgens getoetst via een online Delphi-enquête, met deelname van 63 internationale experts en 19 vertegenwoordigers van ouderen en hun mantelzorgers (waarvan 12 lid waren van AGE Platform Europe).
De White Paper bundelt de huidige kennis over hoe zorgverleners, mantelzorgers, vrijwilligers en gemeenschappen oudere mensen die leven met frailty zo goed mogelijk kunnen ondersteunen. Ze benadrukt de nood aan een integratieve, interdisciplinaire aanpak die de sterktes en principes van palliatieve zorg, geriatrie en revalidatie combineert, en de huidige silo’s kan doorbreken.
Het document formuleert elf kerndomeinen (zie tabel) voor kwaliteitsvolle en mensgerichte zorg en daarbinnen 34 aanbevelingen, die de sterktes van de verschillende disciplines bundelen. Zowel het klinisch perspectief, als het perspectief van de gezondheids- en welzijnszorg én de volksgezondheid zijn nodig om de multidimensionele noden van ouderen en hun mantelzorgers te adresseren, tegelijkertijd hun mogelijkheden en hulpbronnen te ondersteunen, en welzijn en levenskwaliteit centraal te stellen, tot aan en zelf na overlijden.
Deze White Paper beoogt een gouden standaard te zijn voor het ondersteunen en zorgen voor oudere personen die leven met frailty en hun mantelzorgers. Het kan gezien worden als een eerste kritische stap om te komen tot een radicale shift in de manier waarop we zorgen voor ouderen in onze samenleving.
De literatuurstudies, die het werk vooraf gingen, toonden aan hoeveel hiaten er nog zijn in onze kennis over hoe we deze integratieve interdisciplinaire aanpak daadwerkelijk in de praktijk kunnen implementeren. Met dit werk roepen we individuele zorgverleners, maar ook gemeenschappen, en beleidsmakers binnen gezondheid en welzijn op, om actief te werken aan geïntegreerd werken, het ontmantelen van silo-werking, het vervagen van bestaande grenzen, en het bundelen van middelen en kennis.
De integratieve palliatieve, geriatrische en revaliderende benadering die in deze White Paper wordt beschreven, vormt een standaard voor de zorg en ondersteuning aan oudere mensen die leven met frailty en hun mantelzorgers. Deze White Paper roept op tot een fundamentele verschuiving: weg van gescheiden disciplines, naar een samenhangende, mensgerichte aanpak. Dit werk zou toekomstige inspanningen op het gebied van kwaliteitsverbetering, onderzoek en beleid moeten stimuleren, met als doel te verbeteren wat ouderen en hun familie waardevol vinden.
Als u meer wilt weten over dit White Paper of over het werk van de EAPC Reference Grop on Aging and Palliative Care, aarzel dan niet om contact op te nemen met onze Management Assistent, Mevr. Chiara Verschaeren via chiara.verschaeren@vub.be. U kunt ook onze EAPC Reference Group website bezoeken.
Rose Miranda, Postdoctoral researcher at the Vrije Universiteit Brussel (VUB) – Universiteit Ghent (UGent) End-of-Life Care Research Group
Leen Van Brussel, manager for societal impact at the Vrije Universiteit Brussel (VUB) – Universiteit Ghent (UGent) End-of-Life Care Research Group
Lieve Van den Block, Prof. of Aging and Palliative Care, Director of the VUB–UGent End-of-Life Care Research Group, Vrije Universiteit Brussel, Belgium;

Het kleine boekje ‘Zorgangst, zes oefeningen in hulpeloosheid’ werd door Anaïs van Ertvelde geschreven voor de reeks Karakters (filosofie en literatuur in zakformaat) uitgegeven door Academia Press (2022, ISBN 978 94 014 8358 2). Onder collega’s worden al eens inspirerende teksten en boeken uitgewisseld en zo kwam dit boekje, een pareltje dat elke zorgverlener eens zou moeten lezen, bij mij terecht.
Het boekje zet aan tot reflectie over onze eigen afhankelijkheid en autonomie. Wat maakt dat we zorg geven gemakkelijker vinden dan zorg ontvangen?
Als zorgverleners willen we met de slogan ‘samen zorgen, samen dragen’ ernaar streven om zorg een veel grotere plaats toe te kennen in de maatschappij (vermaatschappelijken van zorg). Is het dan geen goed idee om als zorgverlener zelf eerst eens in de spiegel te kijken? In hoeverre willen en kunnen we zelf zorg toelaten?
Anaïs Van Ertvelde schrijft in Zorgangst over onze angst om afhankelijk te zijn of te worden van anderen en stelt hierbij afhankelijkheid en autonomie in vraag. Waarom is de ene vorm van hulp zo doodgewoon dat we die niet meer in vraag stellen of beschouwen als hulp en zien we andere hulp eerder als een teken van zwakte en vinden we die hulp mensonwaardig.
Met zes verhalen neemt Anaïs Van Ertvelde ons mee in ons mens- en maatschappijbeeld en laat ons een andere kijk hebben op zorg, handicap en autonomie.
In plaats van een samenvatting te maken geef ik hier graag enkele citaten mee, die een trigger kunnen zijn om het boekje helemaal te lezen.
Tot slot: Hoe komen we tot wederzijdse zorgzaamheid en verbondenheid? Hoe kunnen we vermijden dat we de zorgverlener al te vaak beschrijven als het actieve element, de doener en de zorgontvanger als het passieve element, het gedane, terwijl de realiteit vaak veel complexer is dan dat.
Dit kleine boekje roept nog veel meer grote vragen op en zet je aan om hierbij stil te staan (of in gezellige discussie te gaan met familie, vrienden bij een drankje en een hapje).
Veel lees- en filosofeergenot!

Dit veldonderzoek onderzocht het moment van het eerste VZP-gesprek (vroegtijdige zorgplanning/voorafgaande zorgplanning) van 199.034 personen. Hiervoor werd het elektronisch medisch dossier van de huisarts retrospectief onderzocht. Patiëntselectie gebeurde op basis van de ICPC-diagnoses dementie, ziekte van Parkinson, kanker en orgaanfalen (hartfalen nierinsufficiëntie, COPD en stroke/CVA). In de analyse werd ook rekening gehouden met co-morbiditeit en de invloed daarvan op het eerste moment van VZP-gesprek na diagnose.
De uitkomstmaat was de incidentie reat ratio (IRR) van geregistreerde VZP-gesprekken per 1.000 persoons-jaren bij personen met een diagnose zoals hoger vermeld, vergeleken met personen met andere diagnoses.
De tabel hierboven toont dat deze incidentie het hoogst is voor personen met kanker en het laagst voor personen met dementie. De auteurs verbazen zich daarover omdat de gekende barrières voor VZP niet ziekte-specifiek zijn zoals geen tijd hebben, gebrek aan opleiding of de hoop van patiënten niet willen ontnemen. Door dit gesprek later in het proces te voeren voor personen met dementie versus die met kanker, zijn personen met dementie minder in de gelegenheid om beslissingen te nemen rond voor hen relevante zaken. Wat jammer is.
De studie was inclusief in de zin dat ook personen met een migratieachtergrond mee betrokken worden door het afwezig zijn van selectiebias. Het opzet en verloop van de studie werd bovendien opgevolgd door een stuurgroep waarin ook burgers en patiënten betrokken waren.
De auteurs besluiten: huisartsen in Nederland starten minder vaak VZP voor personen met dementie, een beroerte en orgaanfalen, vergeleken met personen met kanker. Gezien de complexiteit van het starten van VZP bij personen met orgaanfalen of dementie, kunnen huisartsen het prioriteit geven om het hen en hun mantelzorgers aan te bieden. Initiatieven voor praktijkverbetering zouden de implementatie van VZP bij chronische progressieve ziekten moeten stimuleren, bijvoorbeeld door de tijd voor het voeren van VZP-gesprekken te vergoeden. Ook kunnen richtlijnen die betrekking hebben op de behandeling van chronische progressieve ziekten meer aandacht besteden aan VZP. Reeds beschikbare hulpmiddelen om zorgprofessionals te ondersteunen bij het adresseren van palliatieve zorgbehoeften kunnen ook nuttig zijn.
Het te laat starten van VZP-gesprekken voor tal van chronische ziekten in vergelijking met kanker, moet een aanzet zijn voor bijsturing op het werkveld. Daarom is dit artikel bijzonder relevant.

‘The Safari Concept. An african framework for end of life care.’ geschreven door Dr. Christian Ntizimira, specialist in palliatieve en levenseindezorg in Rwanda, is een bijzonder boek over communicatie en het omgaan met palliatieve patiënten en hun families in moeilijke situaties.
Het uitgangspunt van dit boek is Ubuntu, een filosofisch concept dat diep verankerd is in veel Afrikaanse samenlevingen. Ubuntu benadrukt het belang van de gemeenschap, compassie en de onderlinge verbondenheid van alle mensen (“a person is a person through other people”). Het is een ethiek van solidariteit, respect en wederkerigheid. In de context van palliatieve zorg benadrukt Ubuntu het belang van gezamenlijke steun, empathie en collectieve verantwoordelijkheid voor het zorgen voor zieken en ouderen.
Binnen het Safari concept, uitgewerkt door Dr. Ntizimira, worden familieleden en naasten (het sociaal netwerk) van palliatieve patiënten uitgenodigd om, samen met de zorgverleners, deel te nemen aan besluitvorming en zorg. Dit past bij de Afrikaanse cultuur waar familie en de gemeenschap een heel belangrijke rol spelen.
De manier waarop families omgaan met lijden en verlies van een dierbare is zeer uiteenlopend. Soms leidt dit tot heel moeilijk gedrag of heftige reacties, voortkomend uit de liefde voor en betrokkenheid bij het zieke familielid. Vaak hebben families heel andere verwachtingen van de zorg en het beleid of zijn ze niet mee met de situatie en verzetten ze zich halsstarrig tegen het idee van nakend overlijden. Dit kan leiden tot miscommunicatie, frustraties, boosheid en uitputting bij zorgteams.
Zorgverleners staan voor de uitdaging om kwaliteitsvolle palliatieve zorg te bieden, ook in zeer moeilijke of complexe situaties waarbij het gedrag en de reacties van families voortkomen uit hun lijden en de (vaak onbewust) toegepaste coping strategieën.
In twaalf hoofdstukken wordt telkens vertrokken van een persoonlijk verhaal van Dr. Ntizimira en zijn team en wordt via een metafoor de link gelegd tussen een dier en een welbepaald patroon van rollen, emoties, lijden en coping van de familie.
Door deze metaforen te gebruiken, worden complexe emotionele en sociale familie dynamieken begrijpelijker en bespreekbaar. Elk van de 12 dier archetypes (olifant, giraf, chimpansee, schildpad….) vertegenwoordigt een patroon van lijden dat herkend, begrepen en ondersteund dient te worden door het zorgteam.
Door inzicht te krijgen in deze dynamieken kunnen bepaalde gedragingen en reacties beter geplaatst en gedragen worden en ontstaat er ook meer respect voor de reacties van familieleden. Naast inzicht geeft Dr. Ntizimira ook tips voor effectieve en compassievolle communicatie en advies over hoe men best om kan gaan met de verschillende patronen van familiaal lijden.
Het is een vlot geschreven boek met aangrijpende verhalen die heel herkenbaar zijn, over de grenzen van culturen heen. De inhoud is breed toepasbaar voor zorgprofessionals in diverse culturele en geografische settings. Iedereen, wereldwijd, die werkt in een palliatieve zorgsetting kan zich bij elke metafoor een eigen verhaal voor de geest halen.
Het boek is een aanrader voor iedereen die zijn communicatieve vaardigheden wil verbeteren en een compassievolle aanpak of holistische steun wil bieden aan mensen en hun naasten in de laatste levensfase.
Binnen het huidige Vlaamse zorglandschap ligt de uitdaging bij meer en betere geïntegreerde (palliatieve) zorg en het vermaatschappelijken van deze zorg. De patiënt staat hierbij centraal, maar er is ook aandacht voor naasten en de context van de patiënt. Het sociale netwerk rond de patiënt moet betrokken worden.
Het Safari Concept biedt een meer gemeenschapsgerichte benadering van zorg aan het levenseinde, in contrast met eerder individualistische benaderingen. Het concept benadrukt het belang van samenhorigheid, gedeelde verantwoordelijkheid en culturele en familiale banden.
Is het een idee om dit concept en de toepasbaarheid ervan ook in ons land te bekijken? Als deze metaforen praktische handvatten kunnen bieden aan zorgteams om op een constructieve en compassievolle manier om te gaan met moeilijke en complexe situaties, lijden en coping, dan mogen we deze kans misschien niet laten liggen.
Veel leesplezier.

Landen overheen de hele wereld worden geconfronteerd met ouder wordende populaties. Aan de ene kant is dit een teken van maatschappelijke ontwikkeling, maar dit gaat tegelijk gepaard met heel wat sociale problemen zoals mensen die langer leven met meerdere chronische ziekten en maatschappelijke uitdagingen. Er wordt verwacht dat tegen 2060, de helft van alle overlijdens wereldwijd gepaard gaat met ernstig gezondheidsgerelateerd lijden, waarbij landen met een laag inkomen disproportioneel hard getroffen worden. Gezondheidszorg vandaag wordt gekenmerkt door een grote focus op de rol van gezondheidsdiensten, terwijl de rol van de gemeenschap in het creëren van gezondheid niet dezelfde aandacht krijgt. De COVID-pandemie maakte deze situatie pijnlijk zichtbaar, met mensen die geïsoleerd overleden, zonder dat contact met hun geliefden was toegestaan. Indien we willen tegemoetkomen aan de huidige en toekomstige uitdagingen waarmee de gezondheid van onze samenlevingen geconfronteerd worden, is een verderzettende focus op de rol van gezondheidsdiensten om deze nood te vullen onhoudbaar.
Mensen die ernstig ziek zijn en komen te overlijden worden vandaag nog steeds erg biomedisch benaderd. Gezondheidswinst bevindt zich echter niet enkel in de fysieke manifestatie van onze gezondheid, maar wordt mede bepaald door de symbiotische eigenschappen van onze sociale, spirituele en mentale gezondheid. Door gezondheid holistisch te benaderen, wordt meteen duidelijk dat heel wat aspecten gelinkt aan gezondheid niet toebehoren aan professionele zorgverleners, maar aan onze sociale omgeving. Compassionate Communities erkennen dat situaties van ernstige ziekte, rouw, verlies en mantelzorg zich primair afspelen in onze sociale omgeving. We beleven ze in interactie met onze familie, vrienden, collega’s en de andere mensen die we dagdagelijks tegenkomen. We zien echter dat de rol die zij opnemen in het ondersteunen van de mensen rondom hen vandaag eerder beperkt is.
Compassionate Communities richten zich vaak op een geografisch afgebakend gebied zoals een straat, een buurt of een hele stad of gemeente. Er bestaan vandaag Compassionate Communities overheen heel de wereld, maar het merendeel bevindt zich in hoge of middelhoge inkomenslanden. De mensen die zich engageren in Compassionate Communities hebben een gevarieerde achtergrond, maar vaak zien we gezondheidswerkers, burgers, mensen die ernstig ziek zijn en hun sociale omgeving, vrijwilligers en onderzoekers een rol opnemen. Bezielers van Compassionate Communities pleiten om veranderingen aan te brengen in de omgevingen waarin we ons dagdagelijks bevinden, omdat de ervaring van ernstige ziekte, rouw, verlies en mantelzorg zich ook hier afspelen. Dit zijn dan onze werkplaatsen, onze scholen, onze hobby’s, onze woonomgevingen, etc.
Compassionate Communities ontstaan typisch vanuit een lokaal initiatief, waarbij mensen uit de buurt zich engageren om de ervaring van ernstige ziekte, rouw, verlies en mantelzorg in hun omgeving te verbeteren. Initiatieven focussen dan op bewustzijnsontwikkeling (bv. er zijn mensen in onze buurt die rouwen), het bieden van hulp (bv. een priester wordt gecontacteerd voor spirituele ondersteuning van een ernstig zieke buurtbewoner), het opzetten van partnerschappen (bv. het initiatief verbindt met het lokaal gemeentebestuur ter ondersteuning van activiteiten), het mobiliseren van hulpmiddelen (bv. de buurt organiseert dat inkopen gedaan worden voor een buurvrouw die mantelzorger is voor haar echtgenoot), het ontwikkelen van vaardigheden (bv. aanleren hoe je iemand verplaatst in bed) en educatie (bv. een expert in rouwbegeleiding leert aan je kan spreken met iemand in rouw). Vaak verbinden initiatiefnemers van Compassionate Communities hun project met sleutelinstanties die een belangrijke rol opnemen in het lokaal sociaal weefsel. Dit is dan vaak een lokaal bestuur of zorginstelling. Zo een verbinding is in een vroege fase belangrijk om de toegang tot hulpmiddelen die de ontwikkeling ondersteunen te verzekeren.
Idealiter komen we tot een situatie waarin Compassionate Communities bestaan in samenwerking met bestaande gezondheidsdiensten, waarbij ieder zijn eigen bedoelde specialiteit opneemt. Ze zijn niet bedoeld ter vervanging van gezondheidsdiensten, maar ter aanvulling op het specialisme dat zij bieden, en dragen ertoe bij dat gezondheidsdiensten zich kunnen focussen op hun preventieve en curatieve rol, terwijl de sociale morbiditeit van situaties van ernstige ziekte, rouw, verlies en mantelzorg door de samenleving gedragen worden.