Wij vatten de interessantste boeken en wetenschappelijke artikels voor jou samen in onze rubriek Voor u gelezen. Zo krijg je vier keer per jaar een samenvatting van de laatste inzichten in de palliatieve zorgsector.
Wil je deze vierjaarlijkse nieuwsbrief ook in je mailbox ontvangen? Schrijf je nu in.
Niet iedereen ervaart dezelfde toegang tot palliatieve zorg. Culturele achtergrond, levensomstandigheden of maatschappelijke positie kunnen drempels creëren die een grote impact hebben op de zorgervaring.
In deze editie belichten we verschillende groepen die vaak extra uitdagingen ervaren, onder andere personen met een migratieachtergrond, mensen met een verstandelijke beperking, lgbtqia+ personen en mensen in detentie.

Binnen de European Association for Palliative Care (EAPC) zijn er heel wat Task Forces (werkgroepen) en referentiegroepen actief. Deze bestaan uit EAPC‑leden uit heel Europa en daarbuiten. Leden engageren zich op vrijwillige basis en bundelen hun expertise rond specifieke thema’s binnen de palliatieve zorg.
De groepen ontwikkelen uiteenlopende output zoals webinars, whitepapers, praktische tools, wetenschappelijke publicaties en richtlijnen.
De EAPC Task Force LGBT+ ontwikkelde richtlijnen voor LGBT+ inclusieve palliatieve zorg en levenseindezorg. LGBT+ is een acroniem dat lesbische, homoseksuele, biseksuele en transgender personen omvat, evenals iedereen met een minderheids seksuele oriëntatie, genderidentiteit of gendergeschiedenis (de relatie tussen genderidentiteit en het bij de geboorte toegewezen geslacht). De richtlijn werd oorspronkelijk in het Engels ontwikkeld en bundelt wetenschappelijk bewijs en praktijkvoorbeelden.
De aanbevelingen zijn gebaseerd op literatuurreview (studies over gezondheid en zorgervaringen van LGBT+ personen en onderzoek naar ongelijkheden in palliatieve zorg), practice-based evidence en consensusvorming. De richtlijnen kwamen tot stand via een internationaal expertconsensusproces met vertegenwoordigers uit 15 landen. Door verschillen in wetgeving en gezondheidszorgsystemen tussen landen is lokale adaptatie noodzakelijk. Daarbij moet rekening worden gehouden met mogelijke spanningen tussen wettelijke kaders en inclusieve zorg.
De richtlijnen zijn gebaseerd op drie centrale principes:

De publicatie bevat een overzichtelijke lijst aanbevelingen voor enerzijds zorgverleners en anderzijds zorgorganisaties. Elke aanbeveling wordt daarnaast toegelicht en onderbouwd met relevante literatuur.
De aanbevelingen voor zorgverleners zijn opgebouwd rond drie thema’s: kennis, attitude en communicatie.
Onderzoek toont aan dat zorgverleners vaak beperkte kennis hebben over LGBT+ gezondheidsproblemen en dat LGBT+ personen een hoger risico hebben op sociale isolatie, negatieve zorgervaringen en mentale gezondheidsproblemen. Systematische training en opleiding verbeteren de zorgkwaliteit.
Belangrijke aandachtspunten zijn kennis van wetgeving en beleid, inzicht in noden en behoeften van LGBT+-personen in een palliatief traject en aandacht voor diversiteit binnen de LGBT+ gemeenschap. Erkenning van identiteit leidt tot betere therapeutische relaties, hogere zorgtevredenheid en minder zorgvermijding. Respect naar seksuele oriëntatie en genderidentiteit, het vermijden van aannames, een open, sensitieve en ondersteunende houding zijn dan ook aanbevelingen binnen het thema attitude.
Communicatie tenslotte moet respectvol en sensitief zijn, proactief gebeuren en rekening houden met zelfgekozen belangrijke anderen. Onderzoek binnen LGBT+ populaties toont dat sociale steun vaak buiten traditionele familieverbanden ligt en cruciaal is voor coping bij ziekte, kwaliteit van leven en rouwprocessen.
Institutionele factoren beïnvloeden sterk de toegankelijkheid van zorg, ervaringen van patiënten en de mate van discriminatie. Een veilige en inclusieve zorgomgeving is nodig. Voor zorgorganisaties is de lijst aanbevelingen opgebouwd rond de thema’s partnership, visibiliteit en policies.
Zorgorganisaties moeten samenwerken met LGBT+-organisaties, ondersteuningsdiensten en gemeenschapsgroepen. Dit bevordert de toegang tot zorg, opleiding, ondersteuning en begeleiding en de ontwikkeling van relevante richtlijnen. Inclusie moet zichtbaar zijn, zowel intern als extern door inclusieve beeldvorming, aangepaste registratieformulieren en inclusieve communicatie (brochures, website, materialen).
Beleidsmakers en organisaties moeten inclusie integreren in beleid en strategie. LGBT+-noden moeten opgenomen worden in accreditatie- en kwaliteitscriteria. Training en opleiding moeten deel uitmaken van het standaard opleidingsbeleid. Hierbij dient rekening gehouden te worden met lokale wetgeving.
De EAPC-richtlijnen bieden een evidence-informed en ethisch onderbouwd kader voor LGBT+ inclusieve palliatieve zorg met focus op erkenning van identiteit, inclusieve communicatie, sociale relaties en het belang van structurele inbedding van inclusieve zorg in zorgorganisaties.
Ze vertrekken vanuit bestaande gezondheidsongelijkheden en formuleren concrete aanbevelingen om deze te verminderen via praktijk, opleiding en beleid. De aanbevelingen integreren klinische en sociale dimensies, geven aandacht aan structurele ongelijkheden en faciliteren de internationale toepasbaarheid (met aandacht voor de nodige adaptatie volgens de lokale wetgeving en culturele context).
De richtlijnen zijn beschikbaar in meerdere talen (Zweeds, Deens, Portugees, Spaans). Een Nederlandse versie is momenteel nog niet beschikbaar. Dit kan misschien een waardevol project zijn voor een ad-hoc werkgroep in Vlaanderen en/of Nederland?
Volgens de World Health Organization (WHO) is palliatieve zorg een cruciaal onderdeel van de gezondheidszorg en een wereldwijde ethische verantwoordelijkheid. De WHO benadrukt dat iedereen gelijke toegang moet hebben tot palliatieve zorg, inclusief gedetineerden. Toch blijkt uit onderzoek dat mensen in detentie niet dezelfde kwaliteit van palliatieve zorg krijgen als buiten de gevangenis, en dus structureel benadeeld zijn aan het levenseinde. De studie “Barriers and Facilitators in Providing Palliative and End-of-Life Care in Prison Settings: A Qualitative Study of Professional Stakeholders’ Views and Experiences in Six Western Countries” brengt de belangrijkste barrières en facilitatoren voor palliatieve zorg in gevangenissen in kaart in zes westerse landen, waaronder België.
De bevindingen van deze studie zijn relevant voor Vlaanderen, waar de gevangenispopulatie veroudert en de zorgvraag toeneemt, wat palliatieve zorg in detentie zowel medisch, organisatorisch als ethisch complex maakt. Bovendien zijn gevangenissen primair ontworpen voor ordehandhaving en veiligheid, wat het moelijker maakt om zorg te bieden waarbij comfort, autonomie, nabijheid en waardigheid centraal staan.
In deze kwalitatieve studie werden 113 professionals bevraagd die betrokken zijn bij palliatieve zorg in gevangenissen in België, Engeland, Schotland, Noord-Ierland, Portugal en Australië. De participanten bestonden uit medisch personeel, psychologen, sociaal werkers en beleidsmedewerkers. Het onderzoeksteam bracht facilitatoren en barrières bij het verlenen van palliatieve zorg in gevangenissen in kaart op vier niveaus: gedetineerde, personeel, infrastructuur en regelgeving.
Niveau | Barrières | Facilitatoren |
Gedetineerde |
|
|
Personeel |
|
|
Infrastructuur |
|
|
Regelgeving |
|
|
De bovenstaande handvaten tonen waar in de Vlaamse palliatieve zorgpraktijk verdere stappen mogelijk zijn. Palliatieve netwerken, zorgprofessionals en zorgorganisaties kunnen hierin een actieve rol opnemen. Zo kan het zinvol zijn om in de eigen regio contact te leggen met gevangenissen en te verkennen waar samenwerking mogelijk is. Ook het aanbieden van gerichte vorming en ondersteuning aan gevangenispersoneel kan bijdragen aan een betere herkenning en aanpak van palliatieve noden.
Palliatieve zorg in gevangenissen wordt beïnvloed door barrières en facilitatoren op vier niveaus: de gedetineerde, het personeel, de omgeving en de regelgeving. Door te investeren in opleiding, samenwerking, flexibele regelgeving en betere infrastructuur kan Vlaanderen stappen zetten naar een detentiecontext waarin ook mensen aan het einde van hun leven waardige, humane en kwalitatieve zorg ontvangen. Deze investeringen versterken niet alleen de voorspelbaarheid en efficiëntie van zorg, maar bevorderen ook nabijheid, comfort en continuïteit, zelfs binnen een context waar veiligheid centraal staat.

Wat als jouw idee van goede zorg haaks staat op die van je patiënt?
Hoe breng je slecht nieuws als je niet dezelfde taal spreekt?
Wat als jouw wens voor autonomie botst met iemands wens tot familiale besluitvorming?
In een samenleving met steeds meer culturele diversiteit, krijgen zorgverleners te maken met patiënten van uiteenlopende achtergronden, elk met hun eigen kijk op ziekte, zorg en afscheid nemen. Deze digitale leidraad bundelt informatie en biedt praktische handvaten om hiermee om te gaan, afgestemd op de realiteit van oncologische en palliatieve zorg.
Deze toolbox, ontwikkeld door het Cédric Hèle Instituut en Palliatief Netwerk Omega, brengt kennis, vaardigheden en houding samen om cultuursensitieve zorg in te praktijk te versterken. Je vindt er informatie over:
De leidraad nodigt uit tot professionele nieuwsgierigheid, respectvolle dialoog en openheid.
Ontdek de volledige toolbox op de website van Palliatief Netwerk Omega.

Tijdens het zoeken naar interessante literatuur voor deze editie, kwam ik terecht bij het boek ‘Marijke begrijpt het niet. Hoe humaan is onze zorg?’, geschreven door Edgard Eeckman. Edgard Eeckman werkte lange tijd als communicatiemanager van het UZ Brussel. Hij behaalde een doctoraat in de media- en communicatiestudies en is gastprofessor aan verschillende onderwijsinstellingen. Hij was ook de oprichter en voorzitter van de vzw Patient Empowerment (2019 – 2026) en is tevens toneelregisseur, acteur en schrijver.
Inclusieve zorg is het thema van deze editie van ‘Voor u gelezen’. Hierbij denken de meeste mensen onmiddellijk aan welbepaalde doelgroepen waarvoor we als zorgverleners aandacht moeten hebben zodat voor elke burger, ongeacht afkomst, setting, geaardheid, levensbeschouwing, psychosociale context….gepaste en geïntegreerde zorg even toegankelijk is.
Als we echter als zorgverlener willen kijken naar zorginclusie van en zorgtoegankelijkheid voor welbepaalde doelgroepen, moeten we allereerst een beeld hebben van de algemene moeilijkheden die iedere zorgvrager tegenkomt in de zoektocht naar gepaste zorg en dat is de reden dat ik dit boek toevoeg aan deze editie.
Het boek dat gericht is op een breed publiek van zowel zorgvragers als zorgverleners belicht op een vlotte en heldere wijze, de manier waarop het zorgsysteem en de zorgverstrekkers (thuiszorg, ziekenhuizen, artsen, woonzorgcentra) met zorgvragers omgaan.
In het eerste deel (de theatertekst) volg je als lezer de zoektocht van Marijke, een 70-jarige weduwe, naar gepaste medische zorg in het complexe zorglandschap van thuiszorg, ziekenhuizen met de diverse eerste- en tweedelijnszorgverleners…. De lezer volgt de gedachten, communicatie en handelingen van zowel Marijke als van de zorgverleners die ze ontmoet tijdens haar ziektetraject.
In het tweede deel buigt de schrijver zich over de vraag ‘Wat is humane zorg?’ Hij belicht deze vraag vanuit verschillende perspectieven. Het draait allemaal rond de manier waarop het zorgsysteem en de zorgverstrekkers (thuiszorg, ziekenhuizen, artsen, woonzorgcentra) met zorgvragers omgaan.
Dit deel is meer theoretisch. De universele verklaring van de rechten van de mens en de wet op patiëntenrechten (2002 met belangrijke herziening in 2024) worden eerst besproken. De wet op de patiëntenrechten is een heel belangrijke stap geweest, doch er zijn hierbij wel een aantal zaken op te merken. Veel mensen weten niet wat er in deze wet staat, zorgvragers zijn kwetsbaar, sommige pt rechten kunnen in de huidige context niet waargemaakt worden, het recht op informatie is relatief en verweermogelijkheden zijn ongelijk verdeeld tussen zorgverlener en zorgvrager. Vervolgens wordt gekeken naar de veranderende dynamiek tussen zorgvrager en zorgverlener wanneer de zorgvrager zorgbehoevend wordt en diens autonomie vermindert of zijn zelfcontrole verliest. De machtsrelatie en wederzijdse afhankelijkheid tussen zorgvrager en zorgverlener worden onder de loep genomen waarbij de machtsbalans van afhankelijkheid nooit echt in evenwicht is. Belangrijk is dat de zorgverlener die relationele competenties bezit om de zorgvrager de stap te laten zetten naar voldoende betrokkenheid en diens participatieve competenties te stimuleren zodat de vertrouwensband of relatie tussen zorgverlener en zorgvrager duurzaam en sterk is en de zorgvrager met een gerust gevoel en vrijwillig de controle kan overlaten aan de zorgverlener.
Edgard Eeckman brengt deze thematiek op een zeer herkenbare manier met concrete situaties en voorbeelden die duidelijk maken hoe snel en onbewust misverstanden kunnen ontstaan en welke impact dat heeft op het welzijn, de therapietrouw en de relatie tussen patiënt en zorgverlener.
De gebrekkige communicatie tussen zorgverlener en zorgvrager komt heel dikwijls naar voor. Artsen gebruiken vaak vakjargon, geven snelle uitleg of controleren onvoldoende of de patiënt alles heeft begrepen. Zorgvragers voelen zich hierdoor onzeker, angstig en soms zelfs machteloos.
Het boek zet zowel zorgverleners als zorgvragers aan om bewuster om te gaan met communicatie.
Daarnaast is er de toenemende digitalisering en technische vooruitgang van systemen (de zorgverleners en instellingen) die de zorgefficiëntie trachten te verhogen. Dit gaat echter vaak ten koste van menselijk contact en nabijheid, is niet altijd aangepast aan de individuele noden zorg en zorgt bij de zorgvrager voor toenemende onzekerheid, machteloosheid en verlies van vertrouwen in het zorgsysteem.
De kloof tussen het systeem en de zorgvrager is groot en wijdverspreid. Elke zorgvrager wordt hiermee geconfronteerd.
Het boek toont aan hoe onpersoonlijk en complex het systeem soms aanvoelt voor zorgvragers en dat zorgverleners hier niet altijd (voldoende) bewust van zijn.
Edgard Eeckman weet dit alles te brengen op een vlotte en soms humoristische manier (alleszins ga ik volgende keer op restaurant ook 1 bolletje vanille-ijs proberen te bestellen als dessert 😉).
De in-vraag-stellende schrijfstijl zet de lezer (zorgvrager of zorgverlener) aan tot reflecteren over de eigen communicatie en handelen, ons gezondheidssysteem, de zorgorganisaties en de toekomst van onze zorg met als centrale vraag hoe dit allemaal menselijker of humaner kan.
Hier en daar zijn zaken soms uitvergroot of stereotiep voorgesteld waardoor je als lezer even wil protesteren, maar evenzeer geeft Edgard Eeckman veelvuldig aan dat er op heel veel plaatsen goede initiatieven genomen worden om het zorgsysteem humaner te maken, dat zorgverleners goede bedoelingen hebben, maar dat we niet blind mogen zijn voor de huidige tekortkomingen in onze communicatie en handelen.
Ook als je als zorgverlener, net als ik, denkt dat je holistisch en interdisciplinair werkt, je je uiterste best doen om inclusief te werken en gepaste zorg te bieden wordt je in de voorbeelden toch geconfronteerd met de kwetsbaarheid van de zorgvrager die je vaak onvoldoende inschat en met de zwaktes in je eigen handelen en communiceren.
Ik raad iedereen die werkt of zal werken in de zorg (tot op niveau van management, communicatie en directie) aan om dit boek te lezen, bijvoorbeeld tijdens de treinritten naar en van het werk zodat je de tijd krijgt om tussendoor te reflecteren. Ik ben ervan overtuigd dat iedereen er voor zichzelf en voor zijn organisatie informatie kan uithalen om zorg gepaster en humaner te maken, dit op micro-, meso- en macroniveau.
Hoe beïnvloedt een grootstedelijke context zorg aan het levenseinde? Die vraag stond centraal in twee studies van de End-of-Life Care Onderzoeksgroep (VUB-UGent), waarin de Brusselse situatie werd vergeleken met die in niet-stedelijk Vlaanderen. Daarnaast werd ook onderzocht hoe mensen de weg vinden naar ondersteunende maatregelen voor palliatieve thuiszorg en welke factoren het gebruik ervan beïnvloeden. Hoewel beide studies meer dan tien jaar geleden (respectievelijk 2010 en 2019) werden gepubliceerd, blijven hun inzichten bijzonder relevant voor de uitdagingen rond de toegankelijkheid van palliatieve zorg in Brussel vandaag.
Het onderzoek wijst erop dat Brusselaars minder vaak gebruikmaken van bepaalde vormen van palliatieve zorg ondersteuning dan inwoners van Vlaanderen. Daarnaast zien we ook verschillen in plaats van overlijden. Hoewel thuis overlijden niet voor iedereen wenselijk of mogelijk is, geven veel mensen dat als hun voorkeur aan. Bij mensen die in 2007 overleden aan kanker, stierf 16% van de Brusselaars thuis, tegenover 29% van de Vlamingen in niet-stedelijke gebieden. Daarnaast maakte ongeveer 20% van de in 2012 overleden Brusselaars gebruik van een palliatief statuut of een daaraan gekoppelde ondersteuningsmaatregel, tegenover 37% in Vlaanderen.
Sociaaleconomische factoren lijken hierbij een belangrijke rol te spelen. Onderzoek toont aan dat mensen met een hoger opleidingsniveau vaker gebruikmaken van gespecialiseerde palliatieve zorg en vaker thuis overlijden, terwijl mensen met een lager opleidingsniveau vaker in het ziekenhuis overlijden en minder toegang hebben tot gespecialiseerde palliatieve ondersteuning (Davies et al., 2019). Ook in België blijken niet alle bevolkingsgroepen even gemakkelijk de weg te vinden naar beschikbare ondersteuningsmaatregelen voor palliatieve thuiszorg (Maetens et al., 2019).
Gezien de grote sociaaleconomische diversiteit en de concentratie van maatschappelijk kwetsbare bevolkingsgroepen in Brussel, is het aannemelijk dat dit mechanisme van ongelijkheid ook in de hoofdstad een rol speelt. Een mogelijke verklaring vinden we in de zogenaamde ‘fundamental cause theory’. Die stelt dat mensen die het sociaaleconomisch beter hebben, doorgaans beschikken over meer kennis, sociale netwerken, gezondheidsvaardigheden en macht om hun zorgvoorkeuren te realiseren. Toegang tot palliatieve zorg wordt dus niet uitsluitend bepaald door zorgbehoeften, maar ook door de sociale hulpbronnen waarover mensen beschikken.
Naast deze sociaaleconomische factoren speelt ook de demografische realiteit van de stad een doorslaggevende rol. In een metropool zoals Brussel wonen aanzienlijk meer mensen alleen. Het ontbreken van een stabiel informeel netwerk of inwonende familieleden maakt het praktisch complexer om intensieve palliatieve zorg thuis te organiseren.
Dit brengt ons tot het relationele karakter van palliatieve zorg. Kwaliteitsvolle palliatieve zorg vraagt gesprekken over waarden, wensen, verwachtingen en angsten. In een superdiverse grootstedelijke context vergt dat van zorgverleners specifieke communicatieve vaardigheden, culturele sensitiviteit en voldoende tijd om een vertrouwensrelatie op te bouwen. Dat blijkt niet vanzelfsprekend (ook omdat mensen in het Brusselse minder vaak een vaste huisarts hebben). Zo wist in 2010 slechts 29% van de Brusselse artsen waar hun patiënt wenste te overlijden, tegenover 44% van de artsen in Vlaanderen.
Deze vaststellingen zijn ook vandaag nog herkenbaar in Brussel. Het Brusselse sociale labo EVA BxL stelde doorheen de jaren vast dat toegang tot palliatieve zorg voor veel Brusselaars een reële uitdaging blijft. In een laagdrempelige bevraging van 200 Brusselaars rond de kwestie “Wat is voor u een goed eindeleven?” en in gesprekken met mensen met een ernstige ziekte kwamen terugkerende noden naar boven rond informatie, ondersteuning en toegankelijkheid van zorg.
Vanuit die ervaringen groeit momenteel het initiatief AMORI. Dit Brusselse project wil palliatieve zorg dichter bij mensen brengen, in de wijken waar zij wonen. Via vrijwillige brugfiguren uit de wijk wil AMORI Brusselaars met een ongeneeslijke aandoening en hun naasten ondersteunen. De naam verwijst naar memento mori (de eindigheid van het leven), amor (liefde) en amor fati (het leven aanvaarden zoals het komt): mensen met zorg en nabijheid omringen in de laatste levensfase.
AMORI wil daarbij geen parallel zorgaanbod creëren, maar een partner worden binnen bestaande buurtzorgnetwerken van lokale zorg- en welzijnsorganisaties. Centraal staan vrijwillige brugfiguren die worden geworven en opgeleid in diversiteitssensitieve palliatieve zorg. Zij ondersteunen gezinnen voor, tijdens en na een overlijden en vormen een verbindende schakel tussen patiënten, naasten en zorgprofessionals.
Die ondersteuning wordt steeds op maat ingevuld. Brugfiguren helpen het informele netwerk rond een patiënt in kaart te brengen en te versterken, bieden een luisterend oor en helpen zorgvragen te verhelderen. Ze maken gezinnen wegwijs in zorgstructuren, patiëntenrechten en vroegtijdige zorgplanning, en zorgen ervoor dat bestaande informatie toegankelijk en begrijpelijk wordt. Tegelijk ondersteunen zij zorgprofessionals bij het werken in een hyperdiverse context en dragen ze bij aan sensibilisering van de omgeving, bijvoorbeeld wanneer een kind ernstig ziek is. Waar mogelijk helpen zij ook drempels naar lokale vrijetijds- en ontmoetingsactiviteiten te verlagen voor patiënten en mantelzorgers.
Naast individuele ondersteuning wil AMORI via activiteiten, ontmoetingen en outreachwerk ook mensen met palliatieve zorgnoden vroeger bereiken. Het project zet bovendien in op het versterken van kennis en expertise rond levenseindezorg bij bewoners, vrijwilligers en lokale partners.
Amori is momenteel in gesprek met het nieuwe Wijkgezondheidscentrum Peterbos te Anderlecht. De ambitie is om het oplossingsmodel samen met hen in de Peterboswijk te testen vanaf het najaar 2026 om vervolgens op te schalen naar andere Brusselse wijken als innovatieve zorgcoöperatie.

Een belangrijk uitgangspunt voor de tekst is het Kwaliteitskader palliatieve zorg Nederland (2017). Dit kader beschrijft wat onder kwalitatief goede palliatieve zorg wordt verstaan.
De definitie van palliatieve zorg in het Kwaliteitskader is: ‘zorg die de kwaliteit van het leven verbetert van patiënten en hun naasten die te maken hebben met een levensbedreigende aandoening of kwetsbaarheid, door het voorkomen en verlichten van lijden, door middel van vroegtijdige signalering en zorgvuldige beoordeling en behandeling van problemen van fysieke, psychische, sociale en spirituele aard. Gedurende het beloop van de ziekte of kwetsbaarheid heeft palliatieve zorg oog voor het behoud van autonomie, toegang tot informatie en keuzemogelijkheden.’
Voor mensen met een ernstige, meervoudige verstandelijke beperking start palliatieve zorg vaak al vroeg in het leven. Door hun kwetsbaarheid, vaak al vanaf de geboorte aanwezig, is het vaak zinvol om symptoomgerichte palliatieve zorg vroeg op te starten, vaak parallel met levensverlengende behandelingen of ziektegerichte zorg. Dit vraagt van zorgverleners een brede en langdurige betrokkenheid, waarbij comfort, levenskwaliteit en afstemming op de persoon centraal staan.
De opbouw van de Nivel-publicatie ondersteunt zorgverleners op een toegankelijke manier.
Negen thema’s binnen palliatieve zorg voor deze doelgroep komen achtereenvolgens aan bod, geïllustreerd met voorbeelden uit de praktijk.
De voorbeelden zijn gebaseerd op verhalen over het levenseinde van twaalf mensen met een verstandelijke beperking. In het totaal zijn er 47 zorgverleners, familieleden, naasten en vrijwilligers geïnterviewd die direct betrokken waren bij de zorg voor één van deze mensen. De verhalen werden vervolgens voorgelegd aan veertien experts uit praktijk en beleid. Zij hebben meegedacht over adviezen en verbeterpunten rondom de belangrijkste thema’s.
De thema’s die aan bod komen zijn:
De hoofdstukken worden aangevuld met een aantal reflectievragen, praktische tips en verwijzingen naar bruikbare tools en/of websites.
De tekst is geschreven voor zorgverleners en kan gebruikt worden voor een eerste kennismaking met palliatieve zorg, bijvoorbeeld in zorgvoorzieningen, opleidingen en bijscholingen.
De reflectievragen en tips kunnen zorgverleners individueel gebruiken, maar lenen zich ook goed voor groepsopdrachten en teambijeenkomsten.
Samengevat biedt Zorgen tot de laatste dag een praktijkgerichte en mensgerichte benadering van palliatieve zorg voor mensen met een verstandelijke beperking. De publicatie onderstreept het belang van samenwerking, reflectie en het centraal stellen van de cliënt in elke fase van het zorgproces.
De publicatie “Zorgen tot de laatste dag. Verhalen en adviezen voor zorgverleners over de palliatieve zorg voor mensen met een verstandelijke beperking” van Nivel is een waardevolle publicatie voor iedereen die in de (palliatieve) zorg werkt. Voor zorgverleners die werken met mensen met een verstandelijke beperking zijn er ook de links naar tools en nuttige websites.
Door de definitie van palliatieve zorg van de WHO aan te vullen met ‘kwetsbaarheid’ naast levensbedreigende aandoening wordt het voor zorgverleners veel aannemelijker om palliatieve zorg breder te zien dan enkel terminale zorg. Dit kan bijdragen tot het tijdig bespreken en starten van zorgplanning en palliatieve zorg.
Tijdens het lezen van de publicatie heb ik enkele aandachtspunten aangeduid en het viel me op dat deze aandachtspunten gelden voor iedereen met een palliatieve zorgnood. Het is enkel nodig om met een ‘aangepaste bril’ te kijken naar de situatie en de zorgnoden.
Hoewel de tekst geschreven is vanuit de Nederlandse context is het ook voor Vlaamse zorgverleners een waardevolle publicatie met links naar tools die ook in Vlaanderen gebruikt worden zoals de Palli en vragen- en observatielijsten.
In Vlaanderen kunnen de regionale Netwerken Palliatieve Zorg de nodige ondersteuning bieden, zowel in de thuissituatie als in thuisvervangende voorzieningen voor mensen met een verstandelijke beperking.
Dit artikel onderzoekt de noden, ervaringen en voorkeuren van LGBTQ+ individuen met een ernstige, vaak levensbedreigende aandoening, met bijzondere aandacht voor de implicaties binnen de palliatieve zorg. Vanuit het perspectief van persoonsgerichte en holistische zorg, eigen aan palliatieve zorg, wordt benadrukt dat inzicht in wat voor deze individuen betekenisvol is – inclusief hun sociale netwerk en identiteit – essentieel is om kwaliteitsvolle zorg op maat te kunnen bieden. Het onderzoek vertrekt vanuit de vaststelling dat LGBTQ+ personen een verhoogd risico lopen op levensverkortende aandoeningen, zoals cardiovasculaire ziekten en kanker, en bovendien geconfronteerd worden met bijkomende drempels in de zorg door hetero- en cisnormatieve opvattingen.
Om deze problematiek in kaart te brengen, werd een systematische mixed-method review uitgevoerd waarin zowel kwalitatieve, kwantitatieve als mixed methods studies werden opgenomen. De geïncludeerde studies zijn voornamelijk afkomstig uit Canada, de Verenigde Staten en het Verenigd Koninkrijk, en ook één studie uit Zimbabwe. Door deze brede methodologische benadering wordt een genuanceerd beeld geschetst van de complexe realiteit waarin LGBTQ+ individuen met een ernstige aandoening zich bevinden.
Uit de resultaten blijkt dat de noden van deze groep zich voornamelijk situeren op het vlak van sociale ondersteuning, veiligheid en structurele erkenning. Veel deelnemers ervaren een tekort aan sociaal netwerk en economische stabiliteit, wat hun kwetsbaarheid verder vergroot. Daarbij komt een uitgesproken behoefte aan een ondersteunende en inclusieve omgeving, waarin ruimte is voor erkenning van hun seksuele oriëntatie en genderidentiteit. Sociale steun wordt vaak gezocht buiten de traditionele familiecontext, bijvoorbeeld via zelfgekozen ‘buddies’, vaak binnen de LGBTQ+ gemeenschap, wat het belang van alternatieve netwerken onderstreept.
Daarnaast is er een duidelijke nood aan veiligheid en bescherming tegen discriminatie. Zowel expliciete als impliciete vormen van hetero- en cisnormativiteit binnen de zorg leiden ertoe dat LGBTQ+ individuen zich niet altijd veilig voelen om open te zijn over hun identiteit. Deze angst wordt nog versterkt naarmate de lichamelijke kwetsbaarheid toeneemt, en kan ertoe leiden dat zorg wordt uitgesteld of zelfs vermeden. Het ontbreken van duidelijke signalen van inclusieve zorg, zoals LGBTQ+ vriendelijke symbolen of expliciete aandacht voor diversiteit, draagt bij aan gevoelens van onzekerheid en wantrouwen.
Bijzondere aandacht gaat uit naar de ervaringen van transgender personen, die vaak geconfronteerd worden met bijkomende uitdagingen. Zo uiten zij bezorgdheden over het krijgen van gepaste zorg en respect voor hun genderidentiteit, zowel tijdens het leven als na het overlijden. Tegelijk blijkt dat de combinatie van maatschappelijke marginalisatie, economische onzekerheid en gezondheidsproblemen hen belemmert om tijdig na te denken over het levenseinde en vroegtijdige zorgplanning. Dit wijst op een duidelijke nood aan cultuursensitiviteit en gerichte communicatieve vaardigheden bij zorgverleners.
Wat betreft ervaringen beschrijven LGBTQ+ individuen vaak gevoelens van angst, onzekerheid en sociale isolatie. Deze ervaringen zijn sterk verbonden met eerdere confrontaties met discriminatie of stigma, zowel binnen als buiten de zorgcontext. In sommige gevallen, zoals bij homoseksuele mannen met HIV, worden traumatische ervaringen met een slechte kwaliteit van sterven binnen de vriendenkring beschreven, wat het vertrouwen in de zorg verder kan ondermijnen. De angst voor miskenning of onwaardige behandeling bij het levenseinde vormt hierbij een belangrijke psychologische belasting.
Ondanks deze uitdagingen formuleren LGBTQ+ individuen duidelijke voorkeuren met betrekking tot hun zorg. Ze hechten veel belang aan autonomie en willen betrokken worden bij beslissingen rond hun zorg en levenseinde. Daarbij bestaat een sterke wens om belangrijke naasten – ook wanneer deze niet tot de familiale kring behoren – actief te betrekken in het zorgproces en in vroegtijdige zorgplanning. Verder benadrukken zij het belang van zorg in een veilige omgeving, waarin zij zich vrij voelen om hun identiteit kenbaar te maken zonder angst voor afwijzing of discriminatie.
De bevindingen van deze review maken duidelijk dat de zorg voor LGBTQ+ individuen met een ernstige aandoening verder gaat dan louter medische of fysieke aspecten. Er is een uitgesproken nood aan een inclusieve benadering waarin aandacht is voor sociale, culturele, juridische en existentiële dimensies van zorg. Dit impliceert ook een bredere maatschappelijke verantwoordelijkheid, waarbij beleidsmaatregelen, educatie en belangenbehartiging noodzakelijk zijn om structurele ongelijkheden aan te pakken.
De auteurs concluderen dat het ontwikkelen van inclusieve zorgpraktijken essentieel is om de waardigheid en levenskwaliteit van LGBTQ+ individuen te waarborgen. Dit vraagt niet alleen om sensibilisering en training van zorgverleners, maar ook om het creëren van een zorgomgeving waarin diversiteit expliciet wordt erkend en gerespecteerd. Op die manier kan ruimte ontstaan voor vertrouwen, openheid en echte verbinding, wat cruciaal is in de context van ernstige ziekte en het levenseinde.
In de palliatieve zorg behandel je niet alleen lichamelijke klachten. Een levensbedreigende ziekte roept vaak existentiële vragen op: over zin en betekenis, verlies van autonomie, angst voor de toekomst of het naderende einde van het leven. Voor zorgverleners is het niet eenvoudig om met dit lijden om te gaan. In deze editie delen we onze recensies van literatuur en films over existentieel lijden in de palliatieve context.

De film Hamnet brengt een intiem en ingetogen portret van rouw binnen een gezin dat geconfronteerd wordt met het verlies van een kind. In plaats van zich te focussen op grote dramatische gebaren, toont de film hoe existentieel lijden voor elk gezinslid een andere betekenis en uitingsvorm krijgt.
Shakespeare zoekt zijn toevlucht in de kunst en verwerkt zijn verdriet door het te transformeren in een theaterstuk. Zijn vrouw Agnes daarentegen zoekt troost in een sterkere verbondenheid met de natuur en het dagelijkse leven. Haar rouw blijft lichamelijk en nabij, waardoor de emotionele en fysieke afstand die tussen haar en haar echtgenoot ontstaat des te pijnlijker aanvoelt. Ik vond het mooi om te zien hoe de film daarmee een subtiel spanningsveld bloot legt tussen privé en publiek verdriet en hoe (existentieel) lijden voor iedereen een andere invulling krijgt. Verder vond ik de muziekkeuze in de film ook erg sterk. De muziek was in staat om woorden te overstijgen en zo de emoties nog krachtiger te laten binnenkomen. Een warme aanrader dus om deze film te gaan zien.

Palliatieve zorg is holistische zorg. Zorgverleners binnen de palliatieve zorgsetting vinden het belangrijk om zowel het fysieke als het psychische, sociale en existentiële aspect mee te nemen in de begeleiding en verzorging van patiënten en naasten.
In de praktijk zien we echter vaak dat men zich het meest bezig houdt met het fysieke aspect en dat de integratie van de 4 pijlers van palliatieve zorg niet altijd even evenwichtig verloopt.
Als doorsnee zorgverlener binnen de palliatieve zorg voelen we ons vaak onvoldoende opgeleid en onvoldoende zeker om ons expliciet te begeven op het terrein van existentiële vragen en existentieel lijden. Pastorale medewerkers, o.a. in ziekenhuizen, zijn hier wel mee vertrouwd en kunnen een belangrijke rol spelen.
Ik ben er wel van overtuigd dat de meeste zorgverleners in palliatieve zorg al heel vaak authentiek aanwezig zijn, contact en verbinding maken met patiënt en naasten…. en intuïtief de existentiële laag bereiken. Dit gebeurt dan zonder een duidelijk kader en handvaten met als risico zelf niet overeind te blijven bij de vaak overweldigende emoties die deze nabijheid met zich meebrengt.
In het kader van deze ‘Voor u gelezen’ en vanuit de interesse om me ook meer te verdiepen in de vierde pijler van palliatieve zorg kreeg ik de tip van een pastor om het boek ‘Op de bodem’ te lezen van Siebrecht Vanhooren, professor klinische psychologie en cliëntgerichte en existentiële psychotherapie aan de KU Leuven.
In het boek laat Siebrecht Vanhooren ons kennismaken met de existentiële laag of bodem van ieder mens. Hij geeft taal, een kader en handvaten om met essentiële levensvragen om te gaan in ons contact met patiënten en naasten.
De experiëntieel-existentiële benadering is ontstaan uit de zoektocht hoe de existentiële laag van ons mens-zijn concreet in begeleidingen kan betrokken worden.
In dit hoofdstuk worden een aantal concepten en begrippen uitgelegd die handvaten geven om de existentiële laag in de gesprekken met zorgvragers en naasten beter op te merken en te begrijpen.
De existentiële laag maakt constant deel uit van ons leven.
In onze levensloop zijn er voorspelbare momenten dat we ons vaker bewust zijn van onze existentiële laag (vaak zijn dit de geritualiseerde momenten zoals geboorte, huwelijk, ziekte, dood…). Daarnaast zien we in de ontwikkelingspsychologie ook een aantal sensitieve periodes waarin we meer expliciet openstaan voor verandering en waar we vatbaarder zijn om ons van de existentiële laag meer bewust te worden (vb. adolescentie, pensioen…). Daarnaast kunnen onverwachte gebeurtenissen zoals verlieservaringen, ziekte, traumatische ervaringen…. aanleiding geven tot existentiële angst, wanhoop en existentiële crisis.
Siebrecht Vanhooren legt het verschil uit tussen de ontische en de ontologische laag.
De ontische laag of het ontische zijn slaat op de concrete situationele ervaring, die wel de existentiële laag in zich draagt, maar die is niet altijd expliciet aanwezig.
De ontologische laag verwijst naar de existentiële bedding en beleving.
Deze twee lagen worden verder opgesplitst in een micro-, meso- en macro-dimensie van de beleving. Het is in gesprekken of een begeleiding verhelderend om te weten waar we juist mee bezig zijn en in welke dimensie het gesprek zich situeert.
De micro-dimensie is de meest concrete ervaring, namelijk de zelfbeleving of hoe we ons leven op dit letterlijke moment in het hier-en-nu beleven. Deze ervaring geeft al een idee over waar het werkelijk om te doen is, los van cognitieve processen.
De meso-dimensie is de dimensie van hoe wij onszelf, de situatie, de ander en de wereld beleven en beschrijven op basis van onze cognitief-affectieve structuren en de mentale en interpersoonlijke structuren die buiten ons liggen (cultuurgebonden waarden en normen, religie, ideologieën…). Het gaat dus over ons zelfbeeld, onze identiteit, ons levensverhaal en ons familieverhaal, ons wereldbeeld, onze ideologie, onze waarden en normen.
De micro- en de mesodimensie behoren tot de ontische laag van de beleving.
De macrodimensie van onze beleving is de ontologische laag die ons als individu overstijgt en waar we in aanraking komen met de grote existentiële thema’s. Het is hier dat we botsen op onze gedeelde menselijke conditie en het besef dat we slechts een klein deeltje zijn van een groter geheel.
Als zorgverlener wil je de zorgvrager nabij zijn in zijn volledige zijn. Dit betekent dat je existentiële empathie moet opbrengen of je inleven in de existentiële laag van de zorgvrager. Dit raakt echter niet alleen aan de existentiële laag van de zorgvrager, maar ook van de zorgverlener.
Een valkuil is dat we als zorgverleners meestal erg oplossingsgericht werken ten koste van het gewoon ten volle aanwezig zijn bij de lijdende persoon. Existentiële thema’s laten zich echter niet oplossen en dat leidt tot machteloosheid bij de zorgverlener. Het niet-weten aanvaarden en enkel authentiek aanwezig te zijn is een moeilijke opgave voor de meeste zorgverleners.
Als zorgverleners uit machteloosheid de existentiële laag gaan negeren of blijven oplossingen aanreiken (die er niet zijn) heeft dit als gevolg dat de hulpvrager verder weg zakt in existentiële eenzaamheid en wanhoop.
Door wel samen met de zorgvrager aanwezig te zijn op de existentiële laag krijgt de zorgvrager de kans om zelf verbindingen te creëren met de existentiële laag, waardoor de problemen en het lijden kunnen afnemen. Om aanwezig te kunnen zijn op deze ontologische laag moet de zorgverlener bereid zijn de existentiële thema’s in zijn of haar eigen leven zelf te omarmen, dit om te vermijden zelf opgezogen te worden in de beleving van de zorgvrager, zonder daar mee richting aan te kunnen geven. Dit vergt moed en durf.
In relatie met de zorgvrager moeten de zorgverlener bij de eigen existentiële laag kunnen blijven, er woorden voor hebben en existentiële basisveiligheid kunnen ervaren om de eigenheid van de existentiële laag van de zorgvrager te blijven zien.
In dit hoofdstuk wordt taal aangereikt om de existentiële ruimte binnen te treden en om de eigen existentiële laag te leren herkennen.
Als de zorgverlener de existentiële ruimte betreedt samen met de zorgvrager is een juiste afstand nodig: een relatie tot, niet een samenvallen met noch een afgesneden zijn van. Hier komt het dialogische denken van Buber naar voor, waarbij hij de ik-het relatie (onpersoonlijke afstand, objectiveren van de ander…), de gebruikelijke Westerse manier van benaderen, tegenover de ik-jij relatie stelt (de ander is dan medemens die we ontmoeten, begrijpen vanuit empathie en die onszelf ook verandert).
In de existentiële ruimte vragen vier grote existentiële thema’s om aandacht.
Deze thema’s zijn niet oplosbaar, ze behoren tot het menselijke bestaan. Wel zijn er verschillen in hoeverre we vastlopen in de verhouding tot deze thema’s. Indien men als mens vastloopt spelen deze thema’s een bijzondere rol, maar ook op de hoogtepunten van het leven wordt men door deze thema’s vaak geraakt.
Het herkennen en kunnen benoemen van de 4 grote existentiële thema’s is een opstap om te komen tot een beter begrijpen en een dieper ontmoeten van de ander. Dit kan helpen om als zorgverlener zoekende en lijdende mensen te ondersteunen in het nadenken over deze thema’s om zo hun leven bewuster en anders te kunnen beleven.
Dit hoofdstuk gaat over wat existentieel lijden en groeien kan betekenen, waarbij ze beide deel uitmaken van hetzelfde therapeutische proces.
Lijden is inherent aan ons bestaan. Het leven vraagt voortdurend verandering en aanpassing. Een gebroken of gevonden vriendschap, een huwelijk, ziekte die ons of onze dierbaren overkomt, een nieuwe geboorte, het sterven van naasten en uiteindelijk ons eigen levenseinde zijn allemaal deel van ons bestaan. Ook potentieel traumatiserende ervaringen ten gevolge van natuur- of intermenselijk geweld kunnen ons treffen.
Het diepste existentiële lijden komt echter voort uit het ontbreken van de meest basale voorwaarden voor ons menselijke bestaan. Naast de 4 grote thema’s die als ‘givens’ omschreven worden (hoofdstuk 2) zijn er ook nog de volgende ontologische thema’s die aanwezig kunnen zijn in de existentiële ruimte.
Deze thema’s gaan over het ontbreken van verbindingen met je zelf, met je identiteit. Over niet mógen bestaan en/of het leven en ieder ander slechts met wantrouwen tegemoet kunnen treden.
Op de bodem van ons bestaan kunnen we meestal niet meer om de existentiële vragen heen. Vanaf de bodem is groei mogelijk in verschillende richtingen: gezonder emotioneel beleven, de appreciatie van kwetsbaarheid, meer zelfcompassie, veerkracht, autonomie, minder lijden, symptoomreductie, appreciatie van veranderde levensomstandigheden, een groter inzicht en zelfbesef, gewijzigde ervaring van de ander, ontzag en verwondering en tenslotte groei in wijsheid (dieper zelfinzicht, meer empathie voor anderen, kunnen omgaan met de ambivalentie van het leven, met een genuanceerde blik toch een richting kunnen kiezen).
Binnen de palliatieve zorg is er over het algemeen meer oog en ruimte voor wat mensen op existentieel en spiritueel vlak nodig hebben (p 108). Verschillende interventies die inzetten op het doorwerken van existentiële thema’s en het ervaren van nieuwe zingeving en betekenis tonen hoe groei tot het allerlaatste moment mogelijk blijft.
In dit hoofdstuk wordt dieper ingegaan op hoe existentiële thema’s zich tijdens een therapeutisch proces kunnen ontvouwen, zowel in de thema’s maar ook in de dynamiek van de therapie zelf.
Existentiële therapie biedt een kader om de grondlaag van wie we zijn te verkennen. Door diepgaand te beleven waar het om draait, komt er ruimte vrij voor groei en nieuwe wegen.
De therapeut zit in een voortdurende authentieke, aanvaardende en empathische afstemming met de zorgvrager. Het is een kwalitatieve aanwezigheid, waarbij de therapeut in voeling staat met de verschillende lagen (ontisch én ontologisch) en dimensies (micro, meso en macro) van de ontmoeting. Ondanks de grote mate van nabijheid dient de leidende rol van de therapeut intact te blijven en blijft tegelijkertijd een veilige afstand nodig.
Het boek ‘Op de bodem’ van Siebrecht Vanhooren had ik 30 jaar geleden willen lezen.
Het is een helder en diepgaand boek dat existentiële thema’s op een toegankelijke manier belicht door het gebruik van vele concrete praktijkvoorbeelden, duidelijke uitleg van existentiële concepten, focus op ervaringsgerichte benaderingen en hier en daar het gebruik van verhelderende metaforen.
Siebrecht Vanhooren toont hoe fundamentele vragen over zin, eenzaamheid, vrijheid, verantwoordelijkheid en verbondenheid voortdurend meespelen in menselijke ervaringen, zowel wanneer mensen vastlopen als op betekenisvolle momenten in hun leven.
Het boek geeft de nodige taal en handvaten, niet alleen voor psychotherapeuten, maar voor iedereen die in een zorgrelatie met patiënten en naasten meer zelfzekerheid wil krijgen in het durven raken aan de existentiële laag bij patiënten, naasten en bij zichzelf als zorgverlener. Een betere kennis van de taal van existentiële therapie en begeleiding kan de communicatie met het team ook faciliteren, hetgeen belangrijk is in kader van zorgcontinuïteit.
Op de bodem” is een inspirerende en praktische gids voor iedereen die betekenisvolle, menselijke zorg wil bieden in de laatste levensfase (maar ook daarbuiten in de ganse levensloop van zichzelf en anderen).
Een weliswaar oudere tekst van Ds. P.B. Suurmond, maar waar ik onmiddellijk weer terug aan dacht na het lezen van het boek ‘Op de bodem’ van Siebrecht Vanhooren.
In deze ‘Voor u gelezen’ wil ik deze tekst over het belang van nabijheid en authentieke ontmoeting toch nog eens meegeven. Mij heeft deze tekst alleszins vaak een duwtje in de rug gegeven om die ene ‘moeilijke’ kamer niet voorbij te lopen.
Misschien is dat wel het allermoeilijkste voor mensen in ontmoetingen met mensen die lijden: erbij blijven.
Niet weglopen, maar blijven! Machteloos wellicht, maar blijven. Hoogstens kunnen luisteren, soms zonder een touw te kunnen vastknopen aan wat je hoort omdat de ander in verwarring is, maar blijven.
Soms niets horen dan een schreeuw, misschien vloeken, en dan geen aandrang hebben tot vermaan, maar blijven en luisteren.
Soms luisteren naar alleen maar wanhopige stilte, terwijl je als moderne mens dààr het meeste bang voor bent, voor stilte, en toch blijven,
Niets, helemaal niets meer kunnen dan blijven, zelfs als je weggejaagd wordt, op bereikbare afstand beschikbaar blijven. Zodat wie lijdt nooit helemaal alleen is…
(Ds. P.B. Suurmond)

Refractair lijden bij het levenseinde kan zich naast het fysieke en psychosociale niveau ook situeren vanuit de existentiële noden van de patiënt. Dit artikel wil de evidentie voor gebruik van palliatieve sedatie als behandeling van existentieel lijden bij ernstig zieke patiënten onderzoeken. Existentieel lijden is een van de meest complexe aspecten van symptoomcontrole in palliatieve zorg. Ernstig zieke patiënten hebben uitgesproken existentiële noden, die nog worden geïntensifieerd door gevoelens van machteloosheid, eenzaamheid en doelloosheid.
In de literatuur bestaat er geen consensus over een definitie en criteria voor refractair en/of existentieel lijden. Richtlijnen rond dit thema variëren erg en deze onduidelijkheid zorgt er voor dat ethische overwegingen protocollen voor palliatieve sedatie bij existentieel lijden doen stranden.
De auteurs besluiten dat de terughoudendheid van zorgverleners om palliatieve sedatie bij existentieel lijden toe te passen gelegitimeerd is door dit gebrek aan robuuste evidentie en de grens tussen sedatie en actieve levensbeëindiging in vaak dubieus ethisch vaarwater terecht komt.
Zij pleiten voor ontwikkeling van duidelijke richtlijnen en bijkomend onderzoek dat existentieel lijden moet definiëren. Zorgverleners moeten dan training krijgen om refractair existentieel lijden te identificeren en te behandelen, al dan niet met palliatieve sedatie of euthanasie.
Deze review biedt geen oplossing voor de aanpak van refractair existentieel lijden bij het levenseinde maar verduidelijkt de problematiek rond dit thema. Het geheel geeft stof tot nadenken aan zorgverleners om zich verder te verdiepen en te bekwamen in inschatting en aanpak van refractair existentieel lijden, eerder dan zich te verschuilen onder de paraplu van polypathologie bij handelen rond het levenseinde.

De WHO beschouwt de spirituele dimensie als integraal onderdeel van palliatieve zorgen. De Nederlandse richtlijn “zingeving en spiritualiteit in de palliatieve fase” is bedoeld voor iedere zorgmedewerker in palliatieve zorgen en reikt basisinzichten en aanbevelingen aan die de integratie van spirituele zorg kunnen bevorderen. Deze basisinzichten en aanbevelingen zijn opgesteld door een richtlijnwerkgroep waarin zowel zorgverleners van verschillende disciplines als patiëntvertegenwoordigers zetelden.
De richtlijn geeft aan dat spirituele noden vaak onbewust of onzichtbaar aanwezig zijn en mensen vaak niet weten dat ze daar met een zorgverlener over kunnen uitwisselen. Daarnaast ervaren mensen het onderwerp als intiem en kwetsbaar. Dat maakt dat het als zorgverlener uitdagend is om spirituele noden op het spoor te komen. Zeker omdat ze vaak ingebed zijn in de lichamelijke, psychische en sociale dimensie van mensen. De volgende aanbevelingen worden gegeven om aandacht te hebben voor spirituele noden:
In de richtlijn gaat men ervan uit dat spirituele noden resulteren in een spirituele crisis wanneer het bestaande zingevingskader wordt uitgedaagd, door bijvoorbeeld het ervaren van eindigheid van het leven. Een spirituele crisis wordt beschreven als “een acute verstoring in het verstaan van het zelf, de wereld en/of het transcendente, door externe stressoren, waarin het individu een keerpunt of splitsing bereikt, die leidt tot een significante verandering van de wijze waarop men zichzelf en de wereld verstaat”.
Volgende signalen kunnen duiden op een spirituele crisis:
Volgende thema’s kunnen onder druk komen te staan bij een spirituele crisis:
De richtlijn geeft volgende aanbevelingen mee aan zorgverleners om spirituele zorg te verlenen. Deze aanbevelingen zijn een eerste stap om spirituele zorg als zorgverlener te integreren.
In Vlaanderen is er nog geen richtlijn Spirituele zorg. Maar in de werkgroep Spirituele Zorg (binnen Palliatieve Zorg Vlaanderen) die in voorjaar 2025 werd opgericht, wensen we hier (onder meer) werk van te maken.
In de werkgroep spirituele zorg zijn we als eerste stap aan de slag gegaan met het diamantmodel van Carlo Leget door deze te toetsen aan de praktijk van enkele palliatief zorgverleners in Vlaanderen Volgende vragen kunnen zorgverleners ondersteunen om met spirituele noden aan de slag te gaan. De vragen zijn bedoeld om als zorgverlener in het achterhoofd te houden en, aangepast aan de situatie, aan te halen:
Vijf vragen opgesteld door Kristien Hendrickx, zorgpastor in de ouderenzorg:
Vragen die gebruikt worden door Bart Stippelmans, palliatief deskundige:
In gesprek gaan over levensvragen is niet altijd eenvoudig. Voel je hierin zeker niet alleen. Een gesprek over dit thema vraagt immers tijd, geduld en ruimte van de zorgverlener én het vraagt om moed van de zorgvrager. Want, zo stelt Martijn Steegen (pastor/spiritueel zorgverlener in UZ Leuven) in zijn blog “Om te kunnen spreken over wat je diep vanbinnen voelt, moet je durven afdalen in je eigen ziel of binnenste.”
Wie met spirituele vragen of lijden verder aan de slag wil gaan, kan hiervoor beroep doen op tools zoals het diamantmodel of de spiritwijzer. Of je kan vorming volgen, bijvoorbeeld bij één van de netwerken Palliatieve Zorg.
Bots je op grenzen op het gebied van tijd, ruimte, expertise… om in de diepte te kunnen ingaan op de levensvragen van je patiënt en om deze persoon hierin te kunnen ondersteunen? Dan kan je doorverwijzen naar een spiritueel zorgverlener die hierin opgeleid is. Zeker bij een spirituele crisis is doorverwijzing aangewezen (zie: richtlijn in hoofdstuk 3.5). [In dit hoofdstuk – en de volledige richtlijn – wordt verwezen naar een geestelijk verzorger. In Vlaanderen hanteren we hiervoor de term ‘spiritueel zorgverlener’ (bv. pastor)].

Via de EAPC blog kwam ik de kwalitatieve studie ‘Thank you for loving me’ tegen, over dankbaarheid in palliatieve trajecten en de effecten hiervan op patiënten en naasten.
Tussen de vele artikels trok deze titel mijn aandacht. In mijn klinisch werk als arts op een palliatieve eenheid heb ik veel dankbaarheid gezien tussen patiënten, naasten en zorgverleners, warme momenten die bijblijven. Bij het woord dankbaarheid kwamen bij mij onmiddellijk positieve zaken naar boven en ik was dan ook nieuwsgierig naar de verschillende effecten die in de studie gevonden werden en wat de resultaten van deze studie dan kunnen betekenen voor de zorgverleners rond de patiënt en de naasten.
De studie werd uitgevoerd in 3 palliatieve zorgdiensten in Franstalig Zwitserland en bestond uit een analyse van 33 dankbaarheidsbrieven geschreven door patiënten en familieleden en 25 diepte-interviews met dezelfde mensen.
Een eerste stap in het onderzoek was nagaan hoe de deelnemers dankbaarheid begrijpen en verwoorden. Vervolgens werd bekeken hoe deze verschillende vormen van dankbaarheid het zelfbeeld, de emoties, de ervaringen en de onderlinge relaties beïnvloeden. Tenslotte werd op basis van deze bevindingen bepaald hoe het concept ‘dankbaarheid’ het best kan worden omschreven in een palliatieve context.
De onderzoekers konden de volgende vijf vormen van dankbaarheid bij de deelnemers onderscheiden.

De studie keek niet enkel naar wat mensen juist zeggen, maar ook naar wat hun woorden doen, met andere woorden naar het effect dat dankbaarheid heeft op emoties, relaties en het zelfbeeld.
De vijf beschreven vormen van dankbaarheid kunnen emoties, relaties en het zelfbeeld zowel op een positieve als op een negatieve manier beïnvloeden.
De onderzoekers stellen dat dankbaarheid in de palliatieve zorg uit drie dimensies bestaat:
Deze inzichten kunnen zorgverleners helpen om beter te begrijpen wat dankbaarheid allemaal kan betekenen voor patiënten en hun naasten in een palliatief zorgtraject. Daarnaast zorgt dit ervoor dat dankbaarheid in al zijn vormen sneller herkend kan worden door zorgverleners waardoor zij patiënten en families beter kunnen ondersteunen, zowel in de situaties waar het uiten van dankbaarheid een positief effect creëert, als in de situaties waar dankbaarheid juist pijnlijke gevoelens kan versterken wanneer iemand zich afhankelijk of tot last voelt.
Zorgverleners kunnen dankbaarheid dus meer bewust gaan integreren in psychosociale interventies.
Deze kleine studie is de moeite om te lezen. Alleszins gaf het lezen mij een bredere kijk op dankbaarheid en toch ook handvaten om hier concreet mee aan de slag te gaan (ook buiten een palliatieve zorgsetting).

In Nick Cave’s Veiled World wordt via gesprekken met muzikanten, kunstenaars, schrijvers en denkers een gelaagd portret geschetst van Nick Cave en de spirituele wereld die zijn werk doordrenkt. De documentaire verkent hoe thema’s als geloof, twijfel, liefde, verlies en hoop doorheen zijn muziek en teksten lopen. Door fragmenten uit zijn oeuvre en reflecties van anderen ontstaat een beeld van Cave als kunstenaar die existentiële vragen niet uit de weg gaat en die via kunst zoekt naar betekenis en verbinding.
Die zoektocht raakt aan een belangrijke pijler van palliatieve zorg: de spirituele en existentiële dimensie. Net zoals in palliatieve zorg gaat het niet om pasklare antwoorden, maar om ruimte te maken voor wat mensen bezighoudt wanneer het leven kwetsbaar wordt, een taal te helpen zoeken wanneer woorden soms ontbreken.
Tijdens de Dag van de Palliatieve Zorg vestigen we elk jaar de aandacht op het belang van kwaliteitsvolle palliatieve zorg. In 2025 lag de focus op verbinding, connectie en het delen van kwetsbaarheid. Want wij geloven dat je samen verder komt. Hieronder vind je acht reviews van publicaties die mooi aansluiten bij het thema Samen zorgen, samen dragen.

“Sterker in Dementiezorg” is een boek gevolgd uit de opleiding voor Dementie ReferentieArtsen (DRA). Dit is een functie die in 2024 door de Vlaamse overheid werd uitgerold, waarbij een aantal geriaters/huisartsen/neurologen/ouderenpsychiaters bijkomende expertise aanbieden rond de zorg voor mensen met dementie en zo andere artsen en zorgverleners ondersteunen.
Elke patiënt met dementie zou men met een palliatieve blik moeten bekijken en de zorgdoelen in die richting bijsturen. Bovendien zal de prevalentie van de huidige 136 254 personen met dementie in het Vlaams Gewest verdubbelen tegen 2070 en dus staat zowel het zorglandschap als onze maatschappij voor een stevige uitdaging. In de zorg voor ouderen botsen we op veel raakvlakken tussen dementiezorg en palliatieve zorg: beide zijn een continuüm in de tijd en interdisciplinaire samenwerking is essentieel. Een boek over dementiezorg is dus zeer relevant voor artsen met bijzondere interesse in palliatieve zorg.
Het boek is rijkelijk geïllustreerd met voorbeelden en QR-codes die je leiden naar interessante websites en video’s online.
Een systematisch overzicht in de pathologie van dementie, detectie en diagnose wordt overzichtelijk en op een visueel aantrekkelijke manier gebracht. Ook het belang voor de patiënt en de mantelzorger om (vroeg)tijdig een heldere diagnose te krijgen wordt sterk benadrukt.
Het boek maakt heel mooi het onderscheid tussen ziektediagnose en zorgdiagnose en onderstreept zo dat de diagnose ook slechts het begin van een langdurig behandel- en vooral begeleidingstraject inhoudt.
Onbegrepen gedrag wordt met casussen geïllustreerd en de lijdensdruk die dit teweeg brengt bij het zorgteam en de naasten wordt ook onderkend.
Er zijn ook ethische reflecties: “Familieleden blijven soms hardnekkig eten en drinken aanbieden. Ze voelen zich machteloos bij het verlies van het laatste beetje zorgzaamheid dat ze kunnen bieden. Het tijdig bespreken van deze problematiek kan helpen om de ethische dilemma’s voor de familieleden te verlichten”.
Over palliatieve zorg wordt geschreven “de symptoomlast in de laatste 6 levensmaanden wordt als minstens even groot beschouwd als bij patiënten met kanker. Toch is de aanpak van pijn, pneumonie en koorts, de kijk op vocht en voeding in de eindfase vaak inadequaat; met soms onnodige en voor de patiënt erg belastende hospitalisatie tot gevolg.”
Wie met dit boek een extensief verslag zoekt over de nieuwste ziektemodulerende therapieën, blijft misschien op zijn honger zitten. Maar niettemin is dit boek een warme aanrader voor elke arts die frequent met patiënten met dementie in contact komt.
Nog een laatste teaser: “Velen uiten de euthanasiewens al vanaf het begin van de ziekte maar blijven de beslissing uitstellen omdat hun toestand op dat moment nog als draaglijk wordt ervaren. Tussen de periode van wilsbekwaamheid en de latere periode van onbekwaamheid is er een dunne zone van overlapping: een kleine window of opportunity. Als uiteindelijk wilsonbekwaamheid is ingetreden, kan volgens de huidige wetgeving enkel nog beroep gedaan worden op een negatieve wilsverklaring, waarmee uitvoering van euthanasie echter niet mogelijk is; dit stuit dikwijls op onbegrip en teleurstelling bij de naaste.”
Euthanasie kennen we in ons land door het wettelijke kader dat er rond gebouwd is. Maar ‘dysthanasie’, daar hebben we nog niet over gehoord. Dat lijkt nieuw. Deze review behandelt een situatie die iedere clinicus al heeft meegemaakt: overbehandeling van ouderen wanneer het einde op zeer korte termijn wordt verwacht. Men kan ook denken aan therapeutische hardnekkigheid of futiele zorg.
Deze studie zocht naar definities van overbehandeling en vooral naar de bevorderende of hinderende elementen die, aan het einde van het leven, daarbij een rol spelen. De auteurs gebruiken daarvoor de term ‘dysthanasia’, voor het eerste gehanteerd door Menezes in 2009 (de Menezes, Selli, & de Souza Alves, 2009). Hij definieerde het als een trage en pijnlijke dood zonder kwaliteit van leven.
Het resultaat toont een pleiade aan elementen die in dit proces een rol spelen en die zeer overzichtelijk worden samengevat in het schema.
Ze worden in een kwadrant onderverdeeld in 4 groepen: elementen die zich situeren t.h.v. het gezondheidszorgsysteem, de patiënt, de clinicus en de familie/mantelzorger.
Opvallend daarbij is dat ‘shared decisions and shared policy’ samen met ‘no advance care planning’ elementen zijn die op meerdere plaatsen terugkeren.
De elementen vervat in dit schema zijn op drie niveau’s nuttig.
Deze publicatie verdient naar mijn oordeel de nodige aandacht en kan op die manier een boost geven aan kwaliteitsvolle levenseindezorg.

De meerderheid van de patiënten wenst thuis verzorgd te worden en te sterven. Dit is echter enkel mogelijk indien voldoende mantelzorg aanwezig is.
Gediagnosticeerd worden met kanker in een gevorderd en ongeneeslijk stadium kan beschouwd worden als een potentieel traumatisch event (PTE) zowel voor de patiënt als voor de naasten. Bijgevolg lopen zowel de patiënt als de naasten een verhoogd risico op het ontwikkelen van een depressie, angststoornis, of post-traumatische stressstoornis (PTSD). Niettegenstaande hebben studies reeds meermaals aangetoond dat mensen door veerkracht (resilience) kunnen beschermd worden tegen de gevolgen van mentale stress.
Mantelzorgers van patiënten met kanker hebben vaak de neiging om in de schaduw van de patiënt te gaan staan, waardoor ze niet altijd de aandacht krijgen van professionele zorgverleners die ze nodig hebben. Dit verhoogt niet enkel het risico op mentaal lijden voor de partner, maar kan eveneens de kwaliteitsvolle palliatieve zorg voor de patiënt in het gedrang brengen. Dit gebrek aan aandacht vloeit vaak voort uit het feit dat de mantelzorgers hun eigen klachten en noden ondergeschikt achten aan het lijden van de patiënt en bijgevolg geen begeleiding of ondersteuning van professionele zorgverleners vragen voor zichzelf.
Aandacht hebben voor de noden van mantelzorgers maakt integraal deel uit van de palliatieve zorg en is essentieel om de patiënt de kans te kunnen geven om thuis verzorgd te worden en te overlijden. Bijgevolg is inzicht in het concept ‘veerkracht’, in de ondersteunende bronnen van veerkracht, en in de manier waarop veerkracht zich ontwikkelt en manifesteert in deze doelgroep noodzakelijk om de kwaliteit van zorg voor de mantelzorger van de patiënt met gevorderde kanker verder uit te bouwen en te optimaliseren.
In mijn doctoraatsthesis heb ik eerst duidelijkheid gebracht in wat veerkracht kan betekenen voor mantelzorgers en op welke manier een veerkrachtig traject tot stand kan komen. Vervolgens heb ik het ondersteunend netwerk van de mantelzorger bestudeerd als een complex adaptief systeem: een groep van mensen die zich samen inzet om een gemeenschappelijk doel (hier het mentaal welzijn van de mantelzorger) te bereiken. Tot slot heb ik verschillende mogelijke trajecten van veerkracht in kaart gebracht.
Doorheen mijn doctoraatsthesis heb ik mij gebaseerd op de definitie van veerkracht van de American Psychological Association (APA). De APA definieert veerkracht als het proces van zich aanpassen aan de omstandigheden wanneer men geconfronteerd wordt men tegenslag, trauma, bedreiging, of significante vormen van stress. Om veerkracht bij partners van patiënten met gevorderde kanker verder te kunnen onderzoeken, heb ik mij verder gebaseerd op het theoretische kader van Bonanno et al. Hierbij wordt gesteld dat een veerkrachtig proces start bij een potentieel traumatische gebeurtenis, zoals vb. de diagnose van een gevorderde kanker bij een naaste. Vervolgens kan een veerkrachtsproces ontstaan door een dynamisch samenspel van veerkrachtsbevorderende bronnen waaronder de beschikbaarheid van een ondersteunend netwerk en karakteristieken van de partners zelf zoals flexibel zijn, positief ingesteld zijn, een innerlijke kracht ervaren, de informatieverwerker zijn (wat inhoudt dat men in staat is om de inkomende en uitgaande informatie over de kanker onder controle te houden), en het, op een aangepaste manier, afhankelijk zijn (wat betekent dat men hulp durft te vragen en die ook kan aanvaarden).
Het ondersteunende netwerk van familie, vrienden, en zorgprofessionals blijkt zelf een veerkrachtig systeem te zijn dat zich voortdurend aanpast aan de veranderende omstandigheden, dat interageert met zijn context, een gedrag stelt dat voortvloeit uit geïnternaliseerde basisregels en de voorgeschiedenis van het systeem, en dat wordt aangedreven door attractoren. Het gedrag is echter niet lineair, grotendeels onvoorspelbaar, en soms zelfs paradoxaal. De veerkrachtsbevorderende bronnen versterken elkaar vanuit hun interactie en leiden tot coping-strategieën. Deze kunnen zijn: dagelijkse routines en gewoontes handhaven, verantwoordelijkheid opnemen (zowel voor de patiënt, de familie, als voor het eigen welzijn), de situatie sturen (door te proberen de kanker onder controle te krijgen) en de situatie beheersen (een meer aanvaardende houding aannemen waarbij het leven aangepast wordt aan de kanker).
Wanneer het mentale welbevinden van de partner echter werd bedreigd door een tweede PTE (in dit geval de COVID-19 pandemie), bleken de veerkrachtsbevorderende bronnen de meest kwetsbare elementen in het proces. De coping-strategieën hielden stand en getuigden vaak van een grote creativiteit en inventiviteit.
Er konden drie prototypische trajecten van veerkracht worden onderscheiden, namelijk: een zich snel, geleidelijk, of langzaam aanpassend traject. Deze trajecten worden allemaal gekenmerkt door een persoonlijk groeiproces, volharding, en een gezond mentaal functioneren. Daarnaast werden drie andere prototypische trajecten beschreven die wijzen op een minder optimale aanpassing.
Inzicht in de veerkrachtsprocessen die zich kunnen ontwikkelen bij mantelzorgers nadat een familielid of naaste werd gediagnosticeerd met gevorderde kanker, kan professionele zorgverleners helpen om tijdig een veerkrachtsproces, veerkrachtsondersteunende bronnen en aangepaste coping-strategieën te herkennen. Op die manier kunnen partners die baat zouden hebben bij extra ondersteuning, worden onderscheiden van diegenen die meer waarschijnlijk naar een veerkrachtige uitkomst zullen evolueren.
Om het proces dat zich ontwikkelt na de diagnose en de veerkrachtsondersteunende bronnen te kunnen beoordelen, is het raadzaam om proactief tewerk te gaan en zelf de partners uit te nodigen op een consultatie voor zichzelf. Hierbij besteedt de professionele zorgverlener bij voorkeur zowel aandacht aan de kwetsbaarheden als aan de veerkrachtsbevorderende elementen. Daarnaast is het aangewezen om de partner te bevragen omtrent het al dan niet aanwezig zijn van een ondersteunend netwerk, het gedrag van dit netwerk, en ieders rol hierin.
Doctoraatsthesis van Dr. Sophie Opsomer, onder supervisie van Prof. Jan De Lepeleire, Prof. Peter Pype, Prof. Patrick Luyten, Prof. Emelien Lauwerier – verdedigd aan KU Leuven en UGent op 27 maart 2024.

Onderzoekers van de onderzoeksgroep Zorg rond het Levenseinde, waaronder Prof. Lieve Van den Block en Dr. Rose Miranda, schreven – samen met internationale collega’s – deze White Paper namens de European Association for Palliative Care (EAPC) – Reference Group on Aging and Palliative Care. De White Paper, gepubliceerd in het toonaangevende tijdschrift The Lancet eClinialMedicine, formuleert voor het eerst een internationaal gedragen kader voor optimale zorg en ondersteuning van oudere mensen die leven met frailty en hun mantelzorgers. Het werk vertrok vanuit een behoefte binnen de palliatieve zorg om een aanpak voor ouderen uit te werken, maar groeide uit tot een breed interdisciplinair pleidooi, dat internationaal de nodige weerklank krijgt.
Het document is gebaseerd op literatuur en een brede consensus van 82 experten uit 28 landen, waaronder clinici, onderzoekers, beleidsmakers én vertegenwoordigers van ouderen zelf. De White Paper weerspiegelt zo de substantiële inspanningen van de onderzoekswereld om te komen tot een gedeeld begrip van wat optimale zorg en ondersteuning voor deze doelgroep betekent.
De Engelse term ‘frailty’ wordt in het Nederlands meestal vertaald als (geriatrische) kwetsbaarheid, ook al dekt dat woord niet volledig de lading. In de klinische literatuur zijn de meeste voorkomende definities van ‘frailty’ het “Phenotypic model” (Fried et al) en het “Deficit Accumulation Model” (Rockwood et al). Het Fried model omschrijft frailty als klinisch syndroom dat ontstaat door verminderde fysiologische reserves en weerstand tegen stressoren, als gevolg van cumulatieve achteruitgang in meerdere systemen (vast te stellen a.d.h.v. criteria zoals gewichtsverlies, spierkracht, en loopsnelheid). Het Rockwood model ziet frailty als een toestand van verhoogde kwetsbaarheid die ontstaat door de opeenstapeling van gezondheidsdeficieten (zoals symptomen, klinische tekenen, ziekten en beperkingen). Hoe meer deficieten iemand heeft, hoe groter de mate van frailty. Dit model benadrukt frailty meer als multidimensioneel construct, met fysieke, cognitieve, en psychosociale dimensies. Een belangrijke nuance is echter dat mensen die klinisch als ‘frail’ worden bestempeld, zichzelf niet altijd als ‘frail’ of kwetsbaar ervaren..
Het Decade of Healthy Aging-rapport (2021) van de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) benadrukte de waardevolle maatschappelijke bijdragen van oudere mensen. Tegelijkertijd brengt het groeiende aandeel ouderen grote uitdagingen met zich mee voor zorgsystemen wereldwijd. De snelle toename van het aantal oudere mensen leidt tot een stijgend aantal personen dat leeft met frailty en vaak complexe, langdurige zorg- en ondersteuningsbehoeften ervaart – soms tot aan het levenseinde.
Hoewel frailty de voorbije decennia een belangrijk thema werd binnen ouderenzorg en onderzoek, ontbrak tot nu toe een internationaal gedragen kader dat samenvat hoe men optimaal kan inspelen op de noden én de mogelijkheden van ouderen en hun mantelzorgers. De White Paper vult die leemte en biedt een richtinggevend referentiekader voor zowel beleid, onderzoek, als praktijk.
Voor de ontwikkeling van deze White Paper voerden de internationale en multidisciplinaire kernleden van de EAPC Reference Group zeven discussierondes en drie literatuuronderzoeken uit. Op basis daarvan werden elf kerndomeinen en 34 aanbevelingen geformuleerd, die samen een integratieve palliatieve, geriatrische en revaliderende benadering van zorg en ondersteuning beschrijven.
Deze aanbevelingen werden vervolgens getoetst via een online Delphi-enquête, met deelname van 63 internationale experts en 19 vertegenwoordigers van ouderen en hun mantelzorgers (waarvan 12 lid waren van AGE Platform Europe).
De White Paper bundelt de huidige kennis over hoe zorgverleners, mantelzorgers, vrijwilligers en gemeenschappen oudere mensen die leven met frailty zo goed mogelijk kunnen ondersteunen. Ze benadrukt de nood aan een integratieve, interdisciplinaire aanpak die de sterktes en principes van palliatieve zorg, geriatrie en revalidatie combineert, en de huidige silo’s kan doorbreken.
Het document formuleert elf kerndomeinen (zie tabel) voor kwaliteitsvolle en mensgerichte zorg en daarbinnen 34 aanbevelingen, die de sterktes van de verschillende disciplines bundelen. Zowel het klinisch perspectief, als het perspectief van de gezondheids- en welzijnszorg én de volksgezondheid zijn nodig om de multidimensionele noden van ouderen en hun mantelzorgers te adresseren, tegelijkertijd hun mogelijkheden en hulpbronnen te ondersteunen, en welzijn en levenskwaliteit centraal te stellen, tot aan en zelf na overlijden.
Deze White Paper beoogt een gouden standaard te zijn voor het ondersteunen en zorgen voor oudere personen die leven met frailty en hun mantelzorgers. Het kan gezien worden als een eerste kritische stap om te komen tot een radicale shift in de manier waarop we zorgen voor ouderen in onze samenleving.
De literatuurstudies, die het werk vooraf gingen, toonden aan hoeveel hiaten er nog zijn in onze kennis over hoe we deze integratieve interdisciplinaire aanpak daadwerkelijk in de praktijk kunnen implementeren. Met dit werk roepen we individuele zorgverleners, maar ook gemeenschappen, en beleidsmakers binnen gezondheid en welzijn op, om actief te werken aan geïntegreerd werken, het ontmantelen van silo-werking, het vervagen van bestaande grenzen, en het bundelen van middelen en kennis.
De integratieve palliatieve, geriatrische en revaliderende benadering die in deze White Paper wordt beschreven, vormt een standaard voor de zorg en ondersteuning aan oudere mensen die leven met frailty en hun mantelzorgers. Deze White Paper roept op tot een fundamentele verschuiving: weg van gescheiden disciplines, naar een samenhangende, mensgerichte aanpak. Dit werk zou toekomstige inspanningen op het gebied van kwaliteitsverbetering, onderzoek en beleid moeten stimuleren, met als doel te verbeteren wat ouderen en hun familie waardevol vinden.
Als u meer wilt weten over dit White Paper of over het werk van de EAPC Reference Grop on Aging and Palliative Care, aarzel dan niet om contact op te nemen met onze Management Assistent, Mevr. Chiara Verschaeren via chiara.verschaeren@vub.be. U kunt ook onze EAPC Reference Group website bezoeken.
Rose Miranda, Postdoctoral researcher at the Vrije Universiteit Brussel (VUB) – Universiteit Ghent (UGent) End-of-Life Care Research Group
Leen Van Brussel, manager for societal impact at the Vrije Universiteit Brussel (VUB) – Universiteit Ghent (UGent) End-of-Life Care Research Group
Lieve Van den Block, Prof. of Aging and Palliative Care, Director of the VUB–UGent End-of-Life Care Research Group, Vrije Universiteit Brussel, Belgium;

Het kleine boekje ‘Zorgangst, zes oefeningen in hulpeloosheid’ werd door Anaïs van Ertvelde geschreven voor de reeks Karakters (filosofie en literatuur in zakformaat) uitgegeven door Academia Press (2022, ISBN 978 94 014 8358 2). Onder collega’s worden al eens inspirerende teksten en boeken uitgewisseld en zo kwam dit boekje, een pareltje dat elke zorgverlener eens zou moeten lezen, bij mij terecht.
Het boekje zet aan tot reflectie over onze eigen afhankelijkheid en autonomie. Wat maakt dat we zorg geven gemakkelijker vinden dan zorg ontvangen?
Als zorgverleners willen we met de slogan ‘samen zorgen, samen dragen’ ernaar streven om zorg een veel grotere plaats toe te kennen in de maatschappij (vermaatschappelijken van zorg). Is het dan geen goed idee om als zorgverlener zelf eerst eens in de spiegel te kijken? In hoeverre willen en kunnen we zelf zorg toelaten?
Anaïs Van Ertvelde schrijft in Zorgangst over onze angst om afhankelijk te zijn of te worden van anderen en stelt hierbij afhankelijkheid en autonomie in vraag. Waarom is de ene vorm van hulp zo doodgewoon dat we die niet meer in vraag stellen of beschouwen als hulp en zien we andere hulp eerder als een teken van zwakte en vinden we die hulp mensonwaardig.
Met zes verhalen neemt Anaïs Van Ertvelde ons mee in ons mens- en maatschappijbeeld en laat ons een andere kijk hebben op zorg, handicap en autonomie.
In plaats van een samenvatting te maken geef ik hier graag enkele citaten mee, die een trigger kunnen zijn om het boekje helemaal te lezen.
Tot slot: Hoe komen we tot wederzijdse zorgzaamheid en verbondenheid? Hoe kunnen we vermijden dat we de zorgverlener al te vaak beschrijven als het actieve element, de doener en de zorgontvanger als het passieve element, het gedane, terwijl de realiteit vaak veel complexer is dan dat.
Dit kleine boekje roept nog veel meer grote vragen op en zet je aan om hierbij stil te staan (of in gezellige discussie te gaan met familie, vrienden bij een drankje en een hapje).
Veel lees- en filosofeergenot!

Dit veldonderzoek onderzocht het moment van het eerste VZP-gesprek (vroegtijdige zorgplanning/voorafgaande zorgplanning) van 199.034 personen. Hiervoor werd het elektronisch medisch dossier van de huisarts retrospectief onderzocht. Patiëntselectie gebeurde op basis van de ICPC-diagnoses dementie, ziekte van Parkinson, kanker en orgaanfalen (hartfalen nierinsufficiëntie, COPD en stroke/CVA). In de analyse werd ook rekening gehouden met co-morbiditeit en de invloed daarvan op het eerste moment van VZP-gesprek na diagnose.
De uitkomstmaat was de incidentie reat ratio (IRR) van geregistreerde VZP-gesprekken per 1.000 persoons-jaren bij personen met een diagnose zoals hoger vermeld, vergeleken met personen met andere diagnoses.
De tabel hierboven toont dat deze incidentie het hoogst is voor personen met kanker en het laagst voor personen met dementie. De auteurs verbazen zich daarover omdat de gekende barrières voor VZP niet ziekte-specifiek zijn zoals geen tijd hebben, gebrek aan opleiding of de hoop van patiënten niet willen ontnemen. Door dit gesprek later in het proces te voeren voor personen met dementie versus die met kanker, zijn personen met dementie minder in de gelegenheid om beslissingen te nemen rond voor hen relevante zaken. Wat jammer is.
De studie was inclusief in de zin dat ook personen met een migratieachtergrond mee betrokken worden door het afwezig zijn van selectiebias. Het opzet en verloop van de studie werd bovendien opgevolgd door een stuurgroep waarin ook burgers en patiënten betrokken waren.
De auteurs besluiten: huisartsen in Nederland starten minder vaak VZP voor personen met dementie, een beroerte en orgaanfalen, vergeleken met personen met kanker. Gezien de complexiteit van het starten van VZP bij personen met orgaanfalen of dementie, kunnen huisartsen het prioriteit geven om het hen en hun mantelzorgers aan te bieden. Initiatieven voor praktijkverbetering zouden de implementatie van VZP bij chronische progressieve ziekten moeten stimuleren, bijvoorbeeld door de tijd voor het voeren van VZP-gesprekken te vergoeden. Ook kunnen richtlijnen die betrekking hebben op de behandeling van chronische progressieve ziekten meer aandacht besteden aan VZP. Reeds beschikbare hulpmiddelen om zorgprofessionals te ondersteunen bij het adresseren van palliatieve zorgbehoeften kunnen ook nuttig zijn.
Het te laat starten van VZP-gesprekken voor tal van chronische ziekten in vergelijking met kanker, moet een aanzet zijn voor bijsturing op het werkveld. Daarom is dit artikel bijzonder relevant.

‘The Safari Concept. An african framework for end of life care.’ geschreven door Dr. Christian Ntizimira, specialist in palliatieve en levenseindezorg in Rwanda, is een bijzonder boek over communicatie en het omgaan met palliatieve patiënten en hun families in moeilijke situaties.
Het uitgangspunt van dit boek is Ubuntu, een filosofisch concept dat diep verankerd is in veel Afrikaanse samenlevingen. Ubuntu benadrukt het belang van de gemeenschap, compassie en de onderlinge verbondenheid van alle mensen (“a person is a person through other people”). Het is een ethiek van solidariteit, respect en wederkerigheid. In de context van palliatieve zorg benadrukt Ubuntu het belang van gezamenlijke steun, empathie en collectieve verantwoordelijkheid voor het zorgen voor zieken en ouderen.
Binnen het Safari concept, uitgewerkt door Dr. Ntizimira, worden familieleden en naasten (het sociaal netwerk) van palliatieve patiënten uitgenodigd om, samen met de zorgverleners, deel te nemen aan besluitvorming en zorg. Dit past bij de Afrikaanse cultuur waar familie en de gemeenschap een heel belangrijke rol spelen.
De manier waarop families omgaan met lijden en verlies van een dierbare is zeer uiteenlopend. Soms leidt dit tot heel moeilijk gedrag of heftige reacties, voortkomend uit de liefde voor en betrokkenheid bij het zieke familielid. Vaak hebben families heel andere verwachtingen van de zorg en het beleid of zijn ze niet mee met de situatie en verzetten ze zich halsstarrig tegen het idee van nakend overlijden. Dit kan leiden tot miscommunicatie, frustraties, boosheid en uitputting bij zorgteams.
Zorgverleners staan voor de uitdaging om kwaliteitsvolle palliatieve zorg te bieden, ook in zeer moeilijke of complexe situaties waarbij het gedrag en de reacties van families voortkomen uit hun lijden en de (vaak onbewust) toegepaste coping strategieën.
In twaalf hoofdstukken wordt telkens vertrokken van een persoonlijk verhaal van Dr. Ntizimira en zijn team en wordt via een metafoor de link gelegd tussen een dier en een welbepaald patroon van rollen, emoties, lijden en coping van de familie.
Door deze metaforen te gebruiken, worden complexe emotionele en sociale familie dynamieken begrijpelijker en bespreekbaar. Elk van de 12 dier archetypes (olifant, giraf, chimpansee, schildpad….) vertegenwoordigt een patroon van lijden dat herkend, begrepen en ondersteund dient te worden door het zorgteam.
Door inzicht te krijgen in deze dynamieken kunnen bepaalde gedragingen en reacties beter geplaatst en gedragen worden en ontstaat er ook meer respect voor de reacties van familieleden. Naast inzicht geeft Dr. Ntizimira ook tips voor effectieve en compassievolle communicatie en advies over hoe men best om kan gaan met de verschillende patronen van familiaal lijden.
Het is een vlot geschreven boek met aangrijpende verhalen die heel herkenbaar zijn, over de grenzen van culturen heen. De inhoud is breed toepasbaar voor zorgprofessionals in diverse culturele en geografische settings. Iedereen, wereldwijd, die werkt in een palliatieve zorgsetting kan zich bij elke metafoor een eigen verhaal voor de geest halen.
Het boek is een aanrader voor iedereen die zijn communicatieve vaardigheden wil verbeteren en een compassievolle aanpak of holistische steun wil bieden aan mensen en hun naasten in de laatste levensfase.
Binnen het huidige Vlaamse zorglandschap ligt de uitdaging bij meer en betere geïntegreerde (palliatieve) zorg en het vermaatschappelijken van deze zorg. De patiënt staat hierbij centraal, maar er is ook aandacht voor naasten en de context van de patiënt. Het sociale netwerk rond de patiënt moet betrokken worden.
Het Safari Concept biedt een meer gemeenschapsgerichte benadering van zorg aan het levenseinde, in contrast met eerder individualistische benaderingen. Het concept benadrukt het belang van samenhorigheid, gedeelde verantwoordelijkheid en culturele en familiale banden.
Is het een idee om dit concept en de toepasbaarheid ervan ook in ons land te bekijken? Als deze metaforen praktische handvatten kunnen bieden aan zorgteams om op een constructieve en compassievolle manier om te gaan met moeilijke en complexe situaties, lijden en coping, dan mogen we deze kans misschien niet laten liggen.
Veel leesplezier.

Landen overheen de hele wereld worden geconfronteerd met ouder wordende populaties. Aan de ene kant is dit een teken van maatschappelijke ontwikkeling, maar dit gaat tegelijk gepaard met heel wat sociale problemen zoals mensen die langer leven met meerdere chronische ziekten en maatschappelijke uitdagingen. Er wordt verwacht dat tegen 2060, de helft van alle overlijdens wereldwijd gepaard gaat met ernstig gezondheidsgerelateerd lijden, waarbij landen met een laag inkomen disproportioneel hard getroffen worden. Gezondheidszorg vandaag wordt gekenmerkt door een grote focus op de rol van gezondheidsdiensten, terwijl de rol van de gemeenschap in het creëren van gezondheid niet dezelfde aandacht krijgt. De COVID-pandemie maakte deze situatie pijnlijk zichtbaar, met mensen die geïsoleerd overleden, zonder dat contact met hun geliefden was toegestaan. Indien we willen tegemoetkomen aan de huidige en toekomstige uitdagingen waarmee de gezondheid van onze samenlevingen geconfronteerd worden, is een verderzettende focus op de rol van gezondheidsdiensten om deze nood te vullen onhoudbaar.
Mensen die ernstig ziek zijn en komen te overlijden worden vandaag nog steeds erg biomedisch benaderd. Gezondheidswinst bevindt zich echter niet enkel in de fysieke manifestatie van onze gezondheid, maar wordt mede bepaald door de symbiotische eigenschappen van onze sociale, spirituele en mentale gezondheid. Door gezondheid holistisch te benaderen, wordt meteen duidelijk dat heel wat aspecten gelinkt aan gezondheid niet toebehoren aan professionele zorgverleners, maar aan onze sociale omgeving. Compassionate Communities erkennen dat situaties van ernstige ziekte, rouw, verlies en mantelzorg zich primair afspelen in onze sociale omgeving. We beleven ze in interactie met onze familie, vrienden, collega’s en de andere mensen die we dagdagelijks tegenkomen. We zien echter dat de rol die zij opnemen in het ondersteunen van de mensen rondom hen vandaag eerder beperkt is.
Compassionate Communities richten zich vaak op een geografisch afgebakend gebied zoals een straat, een buurt of een hele stad of gemeente. Er bestaan vandaag Compassionate Communities overheen heel de wereld, maar het merendeel bevindt zich in hoge of middelhoge inkomenslanden. De mensen die zich engageren in Compassionate Communities hebben een gevarieerde achtergrond, maar vaak zien we gezondheidswerkers, burgers, mensen die ernstig ziek zijn en hun sociale omgeving, vrijwilligers en onderzoekers een rol opnemen. Bezielers van Compassionate Communities pleiten om veranderingen aan te brengen in de omgevingen waarin we ons dagdagelijks bevinden, omdat de ervaring van ernstige ziekte, rouw, verlies en mantelzorg zich ook hier afspelen. Dit zijn dan onze werkplaatsen, onze scholen, onze hobby’s, onze woonomgevingen, etc.
Compassionate Communities ontstaan typisch vanuit een lokaal initiatief, waarbij mensen uit de buurt zich engageren om de ervaring van ernstige ziekte, rouw, verlies en mantelzorg in hun omgeving te verbeteren. Initiatieven focussen dan op bewustzijnsontwikkeling (bv. er zijn mensen in onze buurt die rouwen), het bieden van hulp (bv. een priester wordt gecontacteerd voor spirituele ondersteuning van een ernstig zieke buurtbewoner), het opzetten van partnerschappen (bv. het initiatief verbindt met het lokaal gemeentebestuur ter ondersteuning van activiteiten), het mobiliseren van hulpmiddelen (bv. de buurt organiseert dat inkopen gedaan worden voor een buurvrouw die mantelzorger is voor haar echtgenoot), het ontwikkelen van vaardigheden (bv. aanleren hoe je iemand verplaatst in bed) en educatie (bv. een expert in rouwbegeleiding leert aan je kan spreken met iemand in rouw). Vaak verbinden initiatiefnemers van Compassionate Communities hun project met sleutelinstanties die een belangrijke rol opnemen in het lokaal sociaal weefsel. Dit is dan vaak een lokaal bestuur of zorginstelling. Zo een verbinding is in een vroege fase belangrijk om de toegang tot hulpmiddelen die de ontwikkeling ondersteunen te verzekeren.
Idealiter komen we tot een situatie waarin Compassionate Communities bestaan in samenwerking met bestaande gezondheidsdiensten, waarbij ieder zijn eigen bedoelde specialiteit opneemt. Ze zijn niet bedoeld ter vervanging van gezondheidsdiensten, maar ter aanvulling op het specialisme dat zij bieden, en dragen ertoe bij dat gezondheidsdiensten zich kunnen focussen op hun preventieve en curatieve rol, terwijl de sociale morbiditeit van situaties van ernstige ziekte, rouw, verlies en mantelzorg door de samenleving gedragen worden.